Column

Nu kan het nog

Zo’n zonnige zondag in september, misschien de laatste van het jaar, maakt onvermoede krachten los bij de mens. Ik merkte het toen ik aan het begin van de middag door het Westerpark liep, een van de rustigste parken van Amsterdam, ook al ligt het dichtbij de Jordaan.

Nu kan het nog, lijkt menigeen te denken. Wát er nog kan?

In een hoek van het park danste een man op een dun, rubberen koord dat hij tussen twee bomen had gespannen. Hij was alleen gekleed in een witte, korte broek met nauwe pijpen, zijn naakte bovenlichaam was uiterst gespierd. Wat hij deed, althans probeerde te doen, was uitzonderlijk moeilijk. Tastend met zijn voeten bewoog hij zich voort op het koord dat zo’n meter boven de grond hing - soms vooruit, soms achteruit.

Om zijn evenwicht te bewaren moest hij steeds weer zijn bovenlichaam in een andere stand wringen. Hij leek me geen ervaren koorddanser, maar wel iemand die het probeerde te worden – en die niet zonder talent was. Steeds vorderde hij moeizaam twee, drie meter op het koord om dan genadeloos naar de grond te worden verwezen. Hij wachtte enkele minuten om kracht te verzamelen, en begon opnieuw.

Er keken maar weinig mensen. Fietsers op het pad vlak naast hem reden door zonder op te kijken, ook wandelaars lieten zich niet ophouden. Maar er was een klein jongetje dat zich van zijn ouders losmaakte en in ademloze bewondering naar de koorddanser liep en daar bleef kijken. Hij besefte dat het niet gewoon was wat hij te zien kreeg.

Ik liep door omdat mijn aandacht getrokken werd door twee jongens die ieder met een grote kar, getooid met oranje ballonnen, door het park reden. Op de zijkant stond: Kiehl’s – we love Amsterdam. Achter hen volgden twee meisjes in een soort witte doktersjassen met dezelfde tekst. Wat is de bedoeling, vroeg ik een van de jongens. ,,We maken reclame voor Kiehl’s, een nieuwe cosmeticawinkel in de Kalverstraat’’, zei hij. Hij diepte van de bodem van zijn kar een flyer en een tube op. ,,Olie voor het gezicht’’, zei hij. ,,Ik zal het mijn vrouw geven’’, zei ik, en keek de kleine stoet levende reclamezuilen met veel respect na: zó door de Amsterdamse binnenstad lopen, dat had ik ze niet graag nagedaan.

Bij het verlaten van het park zag ik een lange, oude, broodmagere man op de stoep gymnastiekoefeningen doen. Hij droeg alleen een onderbroek en hield de rest van zijn kleding boven zijn hoofd, terwijl hij zijn oefeningen deed. Toen hij klaar was, kleedde hij zich rustig aan.

Dichtbij het Westerpark ligt het Haarlemmerplein waar een fontein in wisselende patronen het water opspuwt. Er zaten wat mensen op bankjes van de zon te genieten. Op een hoek van het plein stond een jonge vrouw in een paarsig jurkje in haar eentje te swingen op de muziek uit een recorder naast haar op de grond. Ze draaide met haar heupen en zwaaide met haar armen – eerder vrolijk dan uitdagend. Ze ging maar door, hield alleen even op om op adem te komen. Voorbijgangers keken verbaasd naar haar en liepen dan snel door.

Het tafereel had iets beklemmends – en hoe langer je keek, hoe beklemmender het werd. Waarom deed ze dit? Wat was er met haar aan de hand? Deed ze gewoon waar ze zin in had, net als die koorddanser en die broodmagere man? Of leek ze meer op die jongens en meisjes van Kiehl’s, met dit verschil dat ze reclame wilde maken voor zichzelf?