Laat die varkens maar scharrelen

Het tamme varken paarde millennia lang met het wilde zwijn. Maar het bleef een tam varken.

Bioloog Mirte Bosse onderzocht de genetische geschiedenis van het varken.

Wageningse wetenschappers hebben het klassieke idee van domesticatie onderuit gehaald met nieuw genetisch onderzoek aan Europese varkens en wilde zwijnen. Dat onderzoek verscheen vorige maand in het tijdschrift Nature Genetics.

Het klassieke idee was: van een grote groep dieren in het wild vangt de mens er een stel, isoleert ze, fokt ermee verder en temt ze. Maar het Europese varken is helemaal niet in isolement gedomesticeerd, zegt Mirte Bosse, een van de auteurs van het vorige maand gepubliceerde onderzoek. „Het varken bleef millennia lang paren met het wilde zwijn”, zegt Bosse.

Tot aan de Industriële Revolutie (negentiende eeuw) is er sprake geweest van limited management, zegt Bosse. „Mensen lieten hun varkens los rondlopen. Of de dieren ontsnapten aan hun omheining, het bos in, waar ze eten gingen zoeken.”

Bosse heeft vier jaar onderzoek gedaan aan de genetica van het varken, in de groep van Martien Groenen, hoogleraar Fokkerij en Genetica. Afgelopen mei is ze cum laude gepromoveerd.

Nieuw inzicht in het verloop van domesticatie en soortvorming kan ook de commerciële fokkerij vooruit helpen. Daarom is het bedrijf Topigs Norsvin uit Beuningen, bij Nijmegen, betrokken bij het onderzoek. Het heeft biologisch materiaal van varkens (bloed, sperma, haren) aangeleverd en in sommige gevallen ook DNA-sequenties. En verder, zegt Bosse, is haar werk belangrijk voor natuurbehoud. Het maakt betere fokprogramma’s van bedreigde diersoorten mogelijk. Door bijvoorbeeld de kans op inteelt te verkleinen.

Wat heeft u met het varken?

„Tot ik met dit onderzoek begon helemaal niks. Ik heb ecologie gestudeerd in Amsterdam. Voor mijn belangrijkste stagevak ging ik naar de Boliviaanse jungle, achter kapucijnapen aan. Ik ben dol op apen, met name gorilla’s. Thuis heb ik een grote verzameling knuffelapen.

„Eerlijk gezegd had ik nog nooit een zwijn in het wild gezien toen ik hier in Wageningen begon. Na een paar maanden ben ik maar eens naar wildpark het Aardhuis gegaan, op de Veluwe. Daar lopen ze semi-wild rond. En ik heb inmiddels met m’n vriend zo’n vijftig kinderboerderijen bezocht, puur voor de varkentjes. Maar voor mijn onderzoek heb ik de afgelopen vier jaar geen levend varken gezien. Ik zit vooral achter de computer.”

Wat heeft u ontdekt over het Europese varken?

„Genetisch is het een mozaïek. Ons idee is nu dat de domesticatie van het wilde zwijn zo’n 9.000 jaar geleden begon, in zowel Azië als het Midden-Oosten, met name Anatolië. Vroege landbouwers namen het in Anatolië gefokte varken mee Europa in. Maar vanaf zo’n 6.000 jaar geleden gingen Europese boeren zelf óók lokale wilde zwijnen houden en domesticeren.

„Vervolgens werd tijdens de Industriële Revolutie het Europese varken gekruist met het Chinese varken. Door de bevolkingsgroei en de verstedelijking nam hier de vraag naar vlees sterk toe. Chinese varkens stonden bekend om hun superieure vleeskwaliteit, ze hadden veel vet. De zeugen zorgden ook goed voor hun jongen. En ze hadden grotere worpen.

„Door deze geschiedenis is in Europa de genetische variatie bij gefokte varkens zelfs groter dan bij het wilde zwijn. Dat verraste ons. Ook dat strookt niet met het klassieke beeld van domesticatie.”

Waar is het wilde zwijn ontstaan?

„In Zuidoost-Azië, 4 miljoen jaar geleden en van daaruit heeft hij zich verspreid. Zo’n 2 miljoen jaar geleden heeft het zwijn het vasteland van Eurazië gekoloniseerd. Europese en Aziatische zwijnen zijn iets meer dan een miljoen jaar geleden gescheiden, maar we noemen het nog steeds één soort: Sus scrofa. In Europa heeft het zwijn diverse bottlenecks doorgemaakt, periodes waarin de genetische variatie sterk verminderde. Met name tijdens de ijstijden. Alleen in Zuid-Europa wisten populaties zich dan in stand te houden.

„Op de eilanden in Zuidoost-Azië vind je veel verschillende soorten wilde zwijnen. Ik heb onderzoek gedaan aan het Visaya-wrattenzwijn, een ernstig bedreigde soort. Het is mijn favoriet geworden. De mannetjes krijgen tijdens de paartijd opvallend lange manen, die in een soort Elviskuif naar voren hangen. Heel aandoenlijk.”

Wat heeft de commerciële fokkerij aan uw onderzoek?

„Meer kennis van de genetica. Er is iets vreemds. Dat het varken eeuwenlang bleef paren met het wilde zwijn hield de genetische variatie op peil, en de kans op inteelt klein. Er was veel gene flow. Maar je zou verwachten dat die constante vermenging het erg lastig maakte voor boeren om varkens te selecteren op bepaalde eigenschappen, en die ook in stand te houden. Toch slaagden ze daarin. Blijkbaar zitten er in het DNA wat wij noemen: eilanden van domesticatie. Stukken die minder gevoelig zijn voor gene flow met het wilde zwijn. Meer kennis daarover kan voor de veredelaars nuttig zijn.”

Op welke eigenschappen selecteren fokkers hun varkens tegenwoordig?

„Vroeger was dat tamheid, extra vet en grootte. Het varken heeft bijvoorbeeld een ruggewervel meer dan het wilde zwijn. Maar tegenwoordig willen mensen weer minder vet eten. En de eisen aan de varkenshouderij veranderen. Dieren moeten in groepen. Dus is er een nadruk om sociable swines te fokken, dieren die aardiger voor elkaar zijn en niet elkaars staart afbijten. Ook wordt geprobeerd de berengeur bij mannetjes eruit te fokken. Bij een klein deel komt dat voor. Het geeft het vlees een vervelende geur als je het bereidt.”

Blijft u onderzoek aan het varken doen?

„Nee, daar ben ik mee gestopt. Vorige week ben ik begonnen bij het Nederlands Instituut voor Ecologie, ook hier in Wageningen.

„De komende maanden onderzoek ik koolmezen. Hopelijk kan ik daarna een eigen onderzoekslijn opzetten. In de zomer heb ik een groot projectvoorstel geschreven, samen met de dierentuin van Antwerpen.

„We willen kijken of we de fokprogramma’s van zoogdieren kunnen verbeteren, en wellicht van vogels en reptielen. Je kunt ook denken aan het opzetten van fokprogramma’s voor soorten die in het wild zijn uitgestorven.”

Is dat niet dweilen met de kraan open, aangezien er zoveel soorten verdwijnen?

„Mijn biologenhart wil heel hard voor dat behoud vechten. Ik ga niet zeggen: het is nou eenmaal zo, dus laat maar gaan. Dat weiger ik.”