Helse intensiteit in Requiem

Een wensconcert was het: Marc Albrecht wilde in het jubileumseizoen van zijn Ned. Philh. Orkest dolgraag het Requiem van Verdi uitvoeren. Vrijdag ging die wens in vervulling, mét het koor van De Nationale Opera waarvan Albrecht ook chef-dirigent is.

Dat de uitvoering viel op 11 september, daar kan maar beter niets achter worden gezocht. Verdi’s dodenmis is niet van het contemplatieve of troostrijke soort. Niet voor niets wordt het wel zijn grootste opera genoemd: het over-the-top Dies irae is de verklanking van een zengende vuurzee. Het koor en vooral de koperblazers stookten de oven op een oorverdovend volume op.

De voorbereiding ging niet vlekkeloos: de bas- en sopraansolisten zegden ziek af. Ze werden vervangen door de strakke Roberto Tagliavini en Camilla Nylund en dat bleek een gouden greep. Nylund (romige, sprekende klank) zingt dezer dagen in de geprezen DNO-productie van Der Rosenkavalier en bleek ook de sterkste vocalist van het solistenkwartet, dat verder bestond uit Sonia Ganassi (donker in de laagte) en Saimir Pirgu (een tenor die het drama opzoekt, maar meer mag stralen in de hoogte). Je had ze meer gezamenlijke repetitietijd gegund: in de soms listige harmonieën van de kwartetten en trio’s was hun intonatie niet overtuigend. Ook de balans was niet altijd best. In de pianissimi had het koor net te weinig kern en het orkest hield niet in.

Daar stond veel moois tegenover: zo bleef het koor wél verbluffend zuiver en schitterde het in het a cappella-deel. En het zag er ook nog eens feestelijk uit. Een requiem hoeft niet altijd voor rouw en verdriet te staan.

    • Merlijn Kerkhof