Gergiev in Rotterdam: de chemie, die blijft

zorgt met muziek van Rachmaninov drie dagen lang voor uitverkocht zalen in De Doelen

Dirigent Valery Gergiev, zaterdagavond in De Doelen Rotterdam Foto Andreas Terlaak

Het Gergiev Festival leeft. Afgelopen jaren moest het Rotterdamse festival, dat dit jaar de 20ste editie beleefde, onder druk van bezuinigingen inkrimpen; rondom de naamgever deden zich vervelende politieke relletjes voor. Over het muzikale niveau viel zelden te klagen, maar de zalen waren niet steeds vol. Dit jaar echter bleek de formule compleet: iconisch dirigent, twee toporkesten, vijf concerten in drie dagen, vijf solisten, onverwoestbaar repertoire én vrijwel bij al die concerten een uitverkocht huis.

Na de editie van vorig jaar, met werken rondom de Eerste Wereldoorlog, was de focus dit jaar muzikaal: Rachmaninov. Drie dagen lang kon men genieten van de Russische componist, wiens status als van publiekslieveling berust op een handvol stukken, maar van wie óók minder bekend werk werd gespeeld.

Eén van de krachten van het Gergiev Festival is de beklijvende chemie tussen het Rotterdamse orkest en zijn gewezen chef. Bijvoorbeeld in Rachmaninovs Derde symfonie: een duister, bij vlagen weerbarstig werk, waarvoor met onweerstaanbare inzet en vakmanschap een lans werd gebroken. Toegankelijker bleek de Paganini-rapsodie, een verkapt pianoconcert, waarvoor Gergiev de jonge solist Behzod Abduraimov (1990) had meegenomen. De ritmische stuiterbalpassages liepen niet steeds helemaal synchroon, maar Abduraimov maakte indruk met responsief en dynamisch spel en een parelend toucher.

Vrijdag ging Tabula Russia van Vladimir Tarnopolski (1955) in wereldpremière, een nieuwe compositie die Valery Gergiev van het orkest cadeau heeft gekregen voor zijn 25-jarig Rotterdams jubileum. Tarnopolski liet zich inspireren door het ‘oergeluid’ van de Russische klokken die zo belangrijk waren voor Rachmaninov. Alsof je je kop in een klok stak: de klankervaring was overweldigend, met mooie uitgecomponeerde boventooneffecten, al was de dichte orkestratie eerder troebel dan sprankelend.

Het festival besloot zaterdag met een ‘Rachathon’: onder Gergiev klonken alle vier pianoconcerten achter elkaar. De geliefdste werden voor het laatst waren bewaard, en het laatste dat klonk was het populairste, het Derde pianoconcert.

Het Rotterdams Philharmonisch had solisten van naam aangetrokken, die aan de voor hen juiste stukken waren gekoppeld.

Zo tekende Alexei Volodin voor het Eerste. Volodin is het soort pianist dat alleen in Rusland wordt gekweekt: een virtuoos die graag z’n spierballen toont, maar vol hartstocht speelt in de langzame passages. Een pianist bovendien die weet wat cantabile inhoudt bij Rachmaninov: gedragen zang als in de orthodoxe kerkmuziek.

Nog meer indruk maakte de jonge Dmitri Masleev, die nummer twee op zich nam. Deze zomer won hij het Tsjaikovski Concours in Moskou. Masleev, 27 jaar, heeft een houding van ‘ik ben er niet, let niet op mij’ en die afwezigheid van uitstraling maakt de betovering nog groter als hij begint te spelen. Alle energie zit in zijn vingers. Zijn toon is puur, zijn techniek fabelachtig. En de interactie met het orkest was subliem: hij luisterde echt naar het orkest en reageerde speels.

Tussen de concerten zijn grote verschillen in bekendheid. Het buitenbeentje is het Vierde, voltooid in 1926, en niet zangerig van toon, maar bitter. Pianist Sergei Babayan speelde intens: ritmisch en zelfs knarsend soms. Desondanks bleef je het gevoel houden dat ‘Rach 4’ lijdt onder een te hoge notendichtheid. Dat is in het helder georkestreerde (maar ook hondsmoeilijke) Derde pianoconcert wel anders. Hier soleerde de Oekraïens-Australische meesterpianist Alexander Gavrylyuk. Zijn vertolking werd een zegetocht waarin iedere frase ertoe deed. Het Rotterdams Philharmonisch, met loepzuivere unisono-lijnen bij de strijkers en fijnzinnig samenspel van de houtblazers, oogde gretig, gedreven en was in volkomen balans.

Twaalfduizend bezoekers trok het festival dit weekend, 42% meer dan vorig jaar. De chemie van het Gergiev Festival is – mits goed ingevuld – net zo slijtvast als die tussen dirigent en orkest.

    • Joep Stapel
    • Merlijn Kerkhof