Een Chinese crisis is meer een politiek dan economisch risico

Wordt het een harde of een zachte landing? Bij elk nieuw cijfer over de Chinese economie houden beurshandelaren en ondernemers hun adem in. Tegenvallende autoverkopen zorgden vrijdag voor de jongste huivering op de internationale financiële markten, nadat een koersval in Shanghai vorige maand al schokken door de het internationale financiële systeem joeg.

China staat voor een overgang van een door investeringen en export aangejaagde economie naar een toestand waarin binnenlandse consumptie de hoofdrol speelt.

De vraag is nu niet alleen hoe de noodzakelijke hervormingen, aangekondigd bij het aantreden van president Xi Jinping in maart 2013, vorm krijgen. De vraag is evenzeer of het nog van hervormingen komt, of dat de Communistische Partij terugvalt in haar oude reflex van dirigisme en repressie.

De recente reactie op de koersdalingen in Shanghai voorspelt weinig goeds: draconische beperkingen op de beurshandel, steunaankopen van aandelen door de overheid, het monddood maken van financieel journalisten en het onder druk zetten van beursbedrijven die het waagden hun geld in te zetten op een koersdaling.

Voor de Chinese burger wordt de economische transitie van het land een test van de competentie van de regering en het ambtenarenapparaat. Die ontleenden hun legitimiteit vooral aan hun kennelijke vermogen de Chinese burger werk en een stijgende welvaart te bezorgen. Zijn zij ook in staat om te gaan met tegenvallende groei en de gevolgen van de vervuiling die de snelle industrialisering teweeg heeft gebracht?

Voor de buitenwereld is het keerpunt in China eveneens relevant. Na de val van de Muur heerste het geloof dat democratie en kapitalisme noodzakelijk met elkaar samenhingen. Het westerse model van de democratische markteconomie was als enig levensvatbaar alternatief overgebleven. China, en in zekere zin Singapore daarvoor al, tartten deze hegemonie met een model van autoritair kapitalisme: een éénpartijstaat die nochtans een florerende en stabiele economie kon voortbrengen. Dit ‘Aziatische’ model staat nu, met het keren van het economische tij, voor een belangrijke test.

Of China een harde of een zachte landing doormaakt, is niet goed te overzien; gegevens over de economie zijn niet erg betrouwbaar. Weinig staat een welvarende toekomst voor het land in de weg – afgezien van de manier waarop het heersende bestuurssysteem op de eerste daadwerkelijke tegenslagen zal reageren. Voor China’s partners, in Azië en daarbuiten, zijn de risico’s van een Chinese crisis niet zozeer economisch, maar vooral politiek. En dat is veel gevaarlijker.