Angst voor het burgerlijke leven

In de nieuwe roman van Robbert Welagen ontmoet een kopschuwe verteller zijn dubbelganger, die een tegenovergesteld leven leidt.

Foto Pedestal, Cristina Troufa

Meteen bij het begin van de nieuwe roman van Robbert Welagen weet je weer waarom hij weleens de kleine Nederlandse Modiano is genoemd. De opening mag er wezen.

Erik Bergmans, een freelance illustrator is op weg naar de kunstacademie in Amsterdam, waar hij lesgeeft, als hij op het Amstelstation een man ziet: ‘Verdomd, ik ben het [...] De man kijkt anders uit zijn ogen en draagt kleding die ik nooit zou dragen, maar toch ben ik het: hetzelfde gezicht, ongeveer één meter negentig lang, begin dertig, licht gebogen.’ De verteller van In goede handen laat zijn lesverplichting voor wat die is en zet de achtervolging in op de man die hij ‘mijn betere ik’ noemt.

Met tram 12 gaat het de stad in, tot in de wijken vol ‘tuintjes, bakfietsen, kinderfietsjes en de betere middenklasseauto’s’. Daar gaat de man tenslotte een huis binnen. De verteller kijkt door het raam en ziet twee kinderen (6 en 8) op de bank. ‘De moeder komt met een knalrood schort om uit de keuken lopen, alsof dat schort ironisch bedoeld is en ze huisvrouw speelt in een satirisch programma.’ Na wikken en wegen besluit de verteller aan te bellen, maar hij wordt weggestuurd met de woorden ‘Wie bent u? Is dit een grap?’

Maar dan raken ze in gesprek

Later gaat hij terug, komt dan wél in gesprek met zijn dubbelganger en krijgt te horen dat deze Erik Bergmans heet. Zo heet hij zelf ook. Allebei opgegroeid in Dordrecht, maar de ‘betere ik’ in een gewoon, stabiel gezin terwijl de ouders van de verteller op zijn twaalfde uit elkaar zijn gegaan. Tot die tijd zijn hun herinneringen gelijk. De mannen gaan weer uit elkaar, de verteller naar zijn verdiepinkje in Utrecht, waar zijn vriendin Carolien hem steeds meer onder druk zet om een gezin met haar te stichten.

Zo heeft Welagen zich op vertrouwd terrein gemanoeuvreerd. Want al sinds Lipari (2006) schrijft hij over jongens en mannen die maar moeilijk een plaats kunnen vinden in de wereld. Het twee jaar geleden verschenen Het verdwijnen van Robbert werd genomineerd voor de Libris literatuurprijs.

Van de opvolger hoop je dan dat het de definitieve doorbraak van de schrijver bij een groter publiek wordt. Inhoudelijk zat in Het verdwijnen van Robbert al een kleine omslag. Waar het in Welagens eerste boeken steeds ging om figuren die niet wisten hoe ze ín het leven moesten komen (c.q. hoe ze een meisje kregen), willen zijn helden inmiddels hun leven uit.

Het is vooral de verdere intrede in het burgerlijke leven die Erik Bergmans in In goede handen kopschuw maakt. De ontmoeting met zijn saai-succesvolle dubbelganger doet zijn gedachten afdwalen naar het moment waarop het huwelijk van zijn ouders uit elkaar klapte. Die herinneringen vormen het leeuwendeel van In goede handen.

In het scheidingsverhaal staat het (inderdaad stuitende) egocentrisme van de ouders centraal: ze strijden niet zozeer om de kinderen – Erik van 12 en Floris van 17 – bij zich te houden, maar om de ander met de kinderen op te schepen. Het resultaat is hartverscheurend van eenzaamheid. We lezen over de wegtrekkende bewegingen van de ouders, maar ook hoe de jonge Erik twee dagen wordt gestald bij ‘Rooie Harry’ een oude man die een even rommelig leven leidt als zijn naam doet vermoeden. Het is ook de figuur die het kunstzinnige talent in Erik ontdekt en de jongen vertelt over Lucebert en Israëls, maar het kind heeft daar amper oog voor. Het wil terug in een gelukkig gezin.

Het is moeilijk om geen intens medelijden met de 12-jarige te krijgen, maar juist dat geeft de roman iets voorspelbaars: van het betrappen van de overspelige moeder tot de connectie met de kinderangst van de volwassen Erik – je ziet het allemaal wel heel ver van tevoren aankomen. Zoals Eriks broer tijdens een openhartig gesprek zegt: ‘Nu komen we bij de kern. Nu begrijp ik dit hele gesprek.’ Het geeft het hart van de roman iets plichtmatigs.

Er zat méér in dit verhaal

Dat is jammer, omdat je na het veelbelovende begin het idee krijgt dat er méér uit dit verhaal te halen was geweest: bijvoorbeeld herhaalde confrontatie met de dubbelganger die niet alleen Erik Bergmans, maar ook diens ‘betere ik’ én de lezer een beetje van zijn stuk had kunnen brengen. Een vondst is niet altijd genoeg: absurdisme heeft er soms baat bij op de spits te worden gedreven. Ook het verhaal van de ouders had meer verdiend: dat wordt nu helemaal beschreven vanuit het perspectief van de gekwetste.

Toch geldt ook voor In goede handen de stelregel die de theorieschuwe Tim Krabbé ooit tot de zijne maakte: ‘Als er genoeg diepte in jezelf zit, komt dat vanzelf in het boek terecht.’

De diepte wordt in het geval van deze roman aangeduid in twee voortreffelijke scènes tussen Erik en zijn nuchtere broer (die óók kinderloos door het leven gaat). Wanneer Erik het te lang over de ‘breuk’ in zijn persoonlijkheid heeft, constateert zijn broer dat hij probeert zichzelf een ongelukkige jeugd toe te dichten: ‘Hoe klassiek! De kunstenaar en zijn ongelukkige jeugd. Wil je je die identiteit aanmeten?’

De opmerking kwetst de hoofdpersoon, maar verplaatst diens ‘crisis’ ongemerkt naar een ander terrein. Want is wat zich voordoet als twijfel over ouderschap in werkelijkheid niet veel meer een creatieve crisis? Aan zijn illustratiewerk beleeft Erik maar weinig genoegen (ergens neemt een opdrachtgever precies de tekening die hij het minst geslaagd vindt) en je kunt op je vingers natellen dat hij ooit een groter, meeslepender kunstenaarsbestaan voor zichzelf in gedachten had.

Zo bezien is het kindergedoe een afleidingsmanoeuvre die een veel dieper liggend probleem moet verbloemen: dat Erik vreest dat zijn kunstenaarschap onvruchtbaar zal blijken. En dat geeft juist de onvolkomenheden in deze wat weifelende roman extra diepte: je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat de artistieke twijfel van de hoofdpersoon ook Robbert Welagen niet vreemd is.