De voedsellobby loopt de deur plat bij Europese politici - net als de tegenlobby

Foto iStock

“Fascinerend”, vindt de Nederlandse Europarlementariër Bas Eickhout (GroenLinks) het, hoe hij door de voedsellobby wordt bestookt. Vooral toen het in Brussel over de etikettering van voedsel ging. “De lobby was gigantisch. Mijn mailbox stroomde vol industrie. En die lobby won!”

Eickhout en progressieve collega’s in het Europees Parlement pleitten voor een ‘stoplichtensysteem’, naar Brits voorbeeld, waarbij de consument in één oogopslag kan zien of een product veel zout en/of suiker en/of vet bevat. Rood voor ongezonde producten, en zo was er ook oranje en groen. Maar de industrie stond op haar achterste benen. Nu staat alleen voorop de verpakking hoeveel calorieën het product bevat. Kleurloos. Onopvallend.

Het sneven van het stoplichtensysteem tekent volgens Eickhout hoe het in Brussel werkt.

“De industrie staat bij nieuwe wetgeving vooraan. En de Europese Commissie werkt graag mee.”

Politci voor het karretje spannen

Anders dan wel wordt gedacht, werkt die voedsellobby vooral op basis van argumenten, zegt Eickhout. Die luidden in het geval van het stoplichtensysteem: te simplistisch (melk is bijvoorbeeld vetter dan cola light, maar niet noodzakelijk ongezonder), betuttelend, ineffectief, bureaucratisch. Een ander argument, in elke voedseldiscussie: dit kost banen. De nachtmerrie van de politicus.

Eickhout wordt er zelf soms “cynisch van hoe politici zich voor het karretje laten spannen”.

“Lobbyisten voor industriële, monoculturele landbouw strooien foldertjes met boeren op een tractor in de Alpen. Dat werkt bij politici opvallend goed. De lobby weet het sentiment te raken.”

Over welke thema’s maken voedsellobbyisten zich momenteel druk?

Met slinkse beïnvloeding, snoepreisjes en dure etentjes valt het volgens Eickhout nogal mee. Maar hij ziet wel veel verwevenheid van functies. “Het is een old-boys-network”. Vooral de boerenlobby is sterk, zegt Eickhout. “Op landbouwgebied voelen wij Groenen ons soms volstrekt hopeloos. Als de industrie ergens voor gaat liggen, hebben we eigenlijk geen schijn van kans.”

Actieve tegenlobby

Maar ook de tegenlobby – die van nongouvernementele organisaties ngo’s, consumentenorganisaties, de milieubeweging – is heel effectief. Zij bepleiten hun zaak doorgaans via de publieke opinie. Een voorbeeld daarvan is de lobby tegen genetisch gemodificeerde gewassen, zegt Europarlementariër Jan Huitema (VVD).

“Greenpeace roept in de publieke opinie ‘Frankensteinfood’, en dat heeft groot effect. Daardoor gaat de politieke discussie niet over wetenschap of feiten. Dat is erg.”

Mensen zeggen vaak dat multinationals veel macht hebben, aldus Huitema, “Maar Greenpeace is ook een multinational.” Volgens Huitema heeft Unilever bijvoorbeeld “maar vier” lobbyisten rondlopen, en telt Greenpeace er wel zestien. “De invloed van ngo’s is ook heel sterk.”

Greenpeace zegt dat het kantoor in Brussel wordt bemand door vijftien medewerkers, van wie er tien lobbyen. Twee van hen doen voedsel, ieder drie dagen per week. Voedselproducenten hebben niet alleen lobbyisten in dienst, maar ook lobbyisten die namens de hele voedselindustrie zaken bepleiten. Zij huren ook lobbykantoren in. Aan de campagne tegen het stoplichtensysteem spendeerde alleen al FoodDrinkEurope, de lobbyclub van de voedingsindustrie, naar eigen zeggen een miljard.

Goed verhaal, liefst iets met wetenschap

Een lobbyist die niet met zijn naam in de krant wil, zegt dat hij heel makkelijk binnenkomt bij de beleidsmakers.

“Niet alleen omdat je een belanghebbende vertegenwoordigt. Politici zijn blij met lobbyisten als ze niet alleen komen halen, maar ook komen brengen. Een goed verhaal, waarmee de politicus zich kan profileren.”

Soms organiseert hij ontbijtjes of proeverijen. Hij laat ook vooraanstaande wetenschappers brieven aan politici schrijven.

Volgens Nina Holland van Corporate Europe Observatory, een non-gouvernementele organisatie die de lobby van het bedrijfsleven in Brussel onderzoekt, wordt wetenschap steeds vaker als lobbymiddel ingezet. Door de industrie opgezette organisaties proberen wetenschappelijke inzichten te beïnvloeden door bedrijven, overheid en academici bij elkaar te brengen rond strategische thema’s. Het programma wordt bepaald door de betalende leden, onder meer McDonald’s, Monsanto en Unilever. Holland denkt dat vele politici niet weten dat de clubs van de industrie zijn, en alles wat zij zeggen voor waar aannemen.

Voedselveiligheidsdienst

De dubbelepettenproblematiek ziet Holland ook bij de EFSA, de Europese voedselveiligheidsdienst in Parma. EFSA toetst bijvoorbeeld de veiligheid van E-nummers en genetisch gemodificeerde gewassen. Niet in een laboratorium, maar op basis van de wetenschappelijke onderzoeken die de industrie zelf aanlevert. De experts die die toetsen, werken vrijwillig voor EFSA. En de rest van de tijd werken ze bij universiteiten aan hun eigen onderzoek, dat steeds vaker wordt gefinancierd door diezelfde industrie.