Wat zit er eigenlijk achter uw soep?

Tomatensoep – 37 ingrediënten, houdbaar tot 2017 – is een triomf van logistiek en techniek. De overwinning van de voedingsindustrie op schaarste en honger. Maar ook de bijbehorende problemen liggen op ons bord.

Reclame uit 1986 voor de tomatensoep van Unox, die sinds 1957 op de markt is. Jaarlijks worden er van deze soep 3,7 miljoen blikken verkocht. Archief Unilever

Nederlanders zijn flinke soepeters. Gemiddeld werken we volgens de soepbranche jaarlijks 9,2 liter kant- en klaarsoep per persoon weg, 36,7 kopjes per jaar, exclusief bouillon.

Hoe lang duurt het om een pan tomatensoep te maken? Afhankelijk van waar je begint (zelf bouillon trekken of een blokje) alles tussen een dag en een minuut of twintig.

Hoe lang duurt het om de inhoud van een blik soep in een kom te gieten en in de magnetron te zetten? Twee en een halve minuut.

Met 3,7 miljoen verkochte blikken per jaar op een bevolking van 16,8 miljoen is Unox Stevige Tomatensoep in Nederland het populairst. Heel traditioneel, deze soep, met vermicelli en ballen. In miljoenen Nederlandse keukens wordt dus weleens zo’n blik leeggegoten in een kom of pannetje. Je pakt het zo uit de kast. De soep bestaat in deze vorm sinds 1957 en wordt gemaakt in Oss. Er is in die tijd niet veel aan veranderd. Volgens de kok van Unox luistert de smaak nauw: dit is wat de Nederlander lekker vindt, en lekker blijft vinden. Dit blik is doorsnee. Het is wat de Nederlander eet. Het bevat de doorsnee-ingrediënten groenten, granen, vlees, palmvet, zout en suiker, afkomstig uit zeker vijftien landen overal ter wereld.

Rond, rood blik

Vandaar dat deze krant besloot twee vragen – wat krijgen we binnen en wie bepaalt dat eigenlijk? – in deze bijlage te onderzoeken aan de hand van dit ronde, rode blik. Niet omdat we per se willen schrijven over één bedrijf of over één soort soep, maar omdat we in kaart willen brengen hoe het werkt met voedsel.

Waar komen de ingrediënten vandaan en hoe zien doorsnee voedselketens er dus uit? Wie heeft er de meeste zeggenschap over? Welke lobbykrachten oefenen er druk op uit? Wie bepaalt wat er op het etiket komt en wat niet? Hoe duurzaam is de inhoud van dit blik, en kan dat beter? Is het gezond of ongezond, afgezet tegen verse soep? Is het duurder of goedkoper dan zelfgemaakte soep?

Alleen die laatste vraag is makkelijk te beantwoorden. Een liter bliksoep is duurder dan zelf soep maken, blijkt uit het rekenvoorbeeld dat Janneke Vreugdenhil op de laatste pagina geeft. Nederlanders worden door de supermarkten in hun felle concurrentiestrijd – ze zijn allemáál de goedkoopste – heel prijsbewust gehouden. Maar onze behoefte aan gemak is vaak nog groter. Uitgezonderd een kleine voorhoede die er steeds mee bezig is, willen veel Nederlanders niet te veel tijd en gedachten wijden aan hun eten.

Overwinning

Wie over dit blik nadenkt, beseft al snel dat het – met zijn 37 ingrediënten, zijn als soep te herkennen smaak en zijn houdbaarheid tot ver in 2017 – een triomf laat zien van logistiek en techniek, de overwinning die de voedingsindustrie heeft geboekt op de klassieke menselijke conditie van schaarste en periodieke honger. Na de Tweede Wereldoorlog werd in het Westen collectief ingezet op het verhogen van de productie; honger zou voorgoed tot de verleden tijd gaan behoren. Geholpen door kunstmest en industrialisering zijn we er in geslaagd schaarste om te buigen in een onvoorstelbare overvloed.

De wereld produceert genoeg calorieën voor iedereen, en zal ook de naar 9 miljard zielen groeiende wereldbevolking waarschijnlijk wel kunnen voeden. Maar de vraag is hoe. De mondiale voedselproductie is ecologisch niet houdbaar, de goedkope bulkstoffen die er de kern van vormen zijn onvoldoende gezond. De verdeling is scheef: één op de acht mensen heeft honger, en één op de drie mensen heeft overgewicht. De machtsverdeling is ook scheef: mondiale voedselconcerns en grote supermarkten hebben grote delen van de keten in handen, soms in bijna-monopolies. Ruwweg éénderde van het geproduceerde voedsel wordt in de loop van de keten verspild.

Van overbevissing tot de diabetesepidemie, van de uitstoot van broeikasgassen tot gevaarlijke dierziektes en uitputting van bodems door pesticidegebruik – een hele serie problemen hangt samen met de voedselvoorziening.

In voedsel en landbouw heeft alles met alles te maken. Er loopt een lijn van onze groenteconsumptie naar de waterproblematiek in Spanje. Er loopt een lijn van welvaartsziekten, via het westerse dieet van te veel suiker, zout en soja (de grondstof van vlees), verder naar de prijs van deze bulkstoffen en hun productiewijze tot aan ontbossing en landconflicten in Latijns-Amerika en Afrika. Er loopt een lijn van Europese landbouwsubsidies en handelsvoorwaarden naar het gebrek aan een substantiële Afrikaanse landbouw en voedselsector, en dus naar migratieproblematiek.

De concentratie van economische macht en intellectueel eigendom (zoals patenten op zaden) bij grote concerns wordt fel ter discussie gesteld door organisaties die opkomen voor de rechten van armen en kleine boeren of voor milieu en biodiversiteit. Ook de westerse culinaire voorhoede fulmineert tegen industrie en supermarkten. Door alle eenvormige massaproductie gelden kleinschalig en ambachtelijk, dus datgene waaraan de wereld ooit probeerde te ontsnappen, nu als luxe.

Maar schuilt in kleinschalig en ambachtelijk ook de oplossing? Dat niet. Eenduidige oplossingen voor landbouwkwesties bestaan bijna niet. Het afbouwen van Europese landbouwsubsidies zou boeren elders helpen, maar zou funeste gevolgen hebben voor de worstelende Europese boeren en het landschap hier. Meer dierenwelzijn is vaak schadelijk voor het milieu en het klimaat. Breken met leveranciers aan de andere kant van de wereld die het milieu schaden en mensenrechten schenden, betekent dat die in zee gaan met een concurrent die echt overal maling aan heeft. Wie kiest voor zongerijpte tomaten uit Spanje moet het vervuilende wegvervoer voor lief nemen. Wie kiest voor Hollandse tomaten, kiest voor vervuiling door de kas.

De voedingsindustrie zet stappen, maar verbetering moet wel iets opleveren. Het puur economisch belang botst vrijwel steeds op alle andere belangen. De burger wil diervriendelijk vlees, de consument weigert ervoor te betalen. Verduurzaming kan voor de Nederlandse markt renderen, maar geeft op de wereldmarkt concurrentieverlies. Andere handelsvoorwaarden zouden de ontwikkeling van een voedselsector in Afrika kunnen stimuleren, maar schaden direct Europese belangen.

Met ‘reststromen’ zoals het voedselafval uit fabrieken wordt genoemd, valt te verdienen. Maar minder verspilling bij de consument betekent minder verkoop voor de producent. Het minder dat voor westerse gezondheids- en milieuproblemen de oplossing zou zijn (vet, zout, vlees, zuivel, vis) staat sowieso haaks op het groeiprincipe dat de wereld draaiende houdt.

In landbouw- en handelsnatie Nederland, op de wereldranglijst de tweede exporteur van voedsel en de tweeëntwintigste producent ervan, worstelen boeren, fabrikanten, supermarkten en consumenten met deze dilemma’s. Hoe het beter zou moeten, is vastgelegd in een woud van allianties, convenanten en streefdoelen. Toch lijkt het alsof alle partijen op elkaar wachten. De consument wacht op beter en duurzamer aanbod, de supermarkten op betere keuzes van de consument. Boeren en producenten wachten op de overheid, die afwachtend kijkt naar veranderingen ‘uit het veld’ en ‘in de markt’. Den Haag wacht op Brussel.

Tal van lepels hebben in uw soep geroerd. Hopelijk geeft deze bijlage inzicht in wat u slikt.

    • Maartje Somers