Waar is zijn hart?

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een publicatie uit De gevleugelde, de nieuwe roman van Arthur Japin.

Niets is aan de doden irritanter dan hun onvermogen om zich helder uit te drukken. Als ze bij leven ook zo vaag waren, is het geen wonder dat ze het geen van allen hebben gered.

De storm door het gebladerte, het panisch fladderen van mottenvleugels tegen het lantarenglas, Guilhermina had er maagpijn van. Klapperende deuren, om half drie het balken van de ezels en twee uur later nog eens. De geesten lieten zich de hele nacht al horen, maar eens één keer een concrete waarschuwing ho maar.

Het geweld waarmee de militairen de volgende ochtend het erf op denderden, had haar daarom net zo overvallen als wanneer zij niets voorvoeld had. Gierende banden, piepende remmen, slaande portiers. Drie soldaten en een jonge officier sprongen tevoorschijn en leken op hun beurt verrast door de onschuld van het tafereel dat ze verstoorden.

Enigszins onthand stonden ze met hun getrokken revolvers tegenover de bejaarde creoolse.

Guilhermina zat op haar schommelstoel. Het wiegen verlichtte de pijn in haar versleten wervels. Wippend met haar tenen hield zij de beweging gaande, en staarde haar overvallers aan, niet van plan als eerste met haar ogen te knipperen.

Even was er alleen het piepend kraken van haar zetel.

De soldaten keken elkaar aan.

De officier liep terug naar de wagen, opende het achterportier en overlegde fluisterend, waarna een man in burger uitstapte. Die gaf de militairen een teken hun wapens op te bergen en zich te verspreiden. Hij kwam op haar toe en lichtte zijn hoed.

‘Dokter Catunda.’

‘Mij mankeert niks, dokter,’ zei Guilhermina. Zij pakte het breiwerk op dat in haar schoot lag. De draad gleed alweer door haar vingers, en in een zacht, vanzelfsprekend ritme rond de naald. ‘Dat wil zeggen, niks dat u nog kunt verzachten.’

‘Slijtage.’ Hij zuchtte. ‘We ontkomen er geen van allen aan.’

‘Dat is teleurstellend nieuws.’ Vol aandacht telde zij haar steken en keek toen weer naar hem op. ‘Ik hoop niet dat u van ver hebt moeten komen voor die diagnose.’

‘Daarvoor kom ik niet,’ zei Catunda. ‘Ik ben lijkschouwer.’

‘Dan ben ik er slechter aan toe dan ik dacht.’ Ze kneep eens in haar arm om te zien of ze nog leefde. ‘Nee, ik moet u teleurstellen, mijnheer, u bent te vroeg.’

‘Bent u bekend met dokter Haberfield?’

‘Dokters zijn duur. Ik heb het geld niet. Als mij iets plaagt, heb ik mijn eigen middelen. De natuur is er zo rijk aan, u hebt geen idee.’

‘Ik heb reden te geloven dat hij u iets heeft toevertrouwd.’

‘Dokter Ha-ber-field?’ Zij dacht diep na. ‘Is hij soms overleden? Wacht, u komt voor een bericht van gene zijde.’

‘Van gene zijde, waarom denkt u dat?’

‘Omdat onderhand iedereen die ik aan deze zijde heb gekend daarheen is verhuisd. Krijg ik nog bezoek dan meestal van iemand die hoopt op een boodschap. Bovendien, dat is mijn manier om nog een kleinigheidje te verdienen.’ Zij sloot haar ogen en hield haar hand op. ‘Zonder offerande geven de doden niks zinnigs prijs, minstens vijf mil-réis, voor minder komen ze hun graf niet uit en zelfs dan, garanties vallen niet te geven.’ Guilhermina begon te brommen en maakte zoemende geluiden als een radio die een frequentie zoekt.

Catunda viste een paar munten uit zijn broekzak.

‘Goed, daar gaan we.’ Guilhermina ging er nu echt voor zitten. ‘Mocht ik even wegvallen, in trance raken of in vervoering, maak me niet wakker, ik kom vanzelf terug. Dus, zeg het nog één keer, wilt u? De naam van die dokter die u noemde, wie is het precies van wie u iets zou willen weten?’

‘Met Dokter Haberfield telefoneer ik liever. Hij is een studievriend en nog springlevend,’ zei Catunda. ‘In plaats daarvan, nu we toch bezig zijn, ik heb wel een vraag voor iemand anders…’

Guilhermina wist wie hij zou noemen. Leven maakt een mens vanzelf helderziend.

‘U bent gekomen om mij verdriet te doen,’ zei ze zodra Alberto’s naam gevallen was. ‘U kunt tevreden zijn, het is gelukt.’

Zij schudde zich los uit haar concentratie en hees zich overeind. Haar huid hing dan misschien los, haar verontwaardiging trok nog altijd formidabel strak.

‘Dus u geeft toe dat u Santos-Dumont kent?’

‘Ik geef meer toe dan dat, mijnheer. Ik heb hem gezoogd nadat mijn eigen jongen in de wieg was omgekomen en Alberto’s eigen moeder niet voldoende melk had. En nu is ook hij dood. Het stond in alle kranten, ik weet het, ik overleef ze allemaal. Wat komt u doen, mijn pijn opporren?’

‘Ik had begrepen dat u in contact staat met de geesten.’ De dokter deed zijn best om niet te smalen. ‘De zijne had ik willen vragen of hij toevallig ook weet waar zich op dit moment zijn hart bevindt.’

‘Vraag liever waar uw eigen hart zit, dat u een oud mens zo overstuur probeert te maken!’

‘Ik was het die indertijd zijn lijk geschouwd heeft.’

‘Had hem er dan meteen zelf naar gevraagd.’

‘Helaas, ik mis uw gave. Bovendien, toen ik mijnheer Santos-Dumont onderzocht, zat zijn hart nog waar het hoorde. Pas onlangs kwamen wij erachter dat het ergens onderweg is zoekgeraakt.’

‘Slordig.’

‘Nu de opstand is neergeslagen, is de weg vrij om het stoffelijk overschot dan eindelijk naar Rio te vervoeren voor een staatsbegrafenis.’

‘Doden hebben een hekel aan heisa,’ onderbrak Guilhermina. ‘Ze zijn blij dat het eindelijk stil is. Laat ze toch liggen.’

‘Dat was voor iedereen beter geweest, ja. Maar toen men in Rio zijn kist openden om hem een beetje bij te werken, kwam de diefstal aan het licht.’

‘Ongelooflijk, waar mensen toe in staat zijn.’ Omstandig schudde zij haar lange grijze kroeshaar. ‘Een man zijn hart!’

‘Wat bent u ermee van plan? Gaat het om voodoo?’ Ondanks zichzelf huiverde de dokter. ‘Wat voor praktijken houdt u erop na?’

‘Ik?’ stamelde Guilhermina.

‘Is het omdat u er bepaalde krachten aan toeschrijft? U beoefent Candomblé, nietwaar, het hele dorp weet het. Op zondag gaat u naar de kerk, maar ondertussen… Waar is het nu, dat hart, mãe-de-santo, wordt het gebruikt bij rituelen?’

‘Ik ben een oude vrouw, ik weet van niets.’

‘In dat geval zult u geen bezwaar hebben…’ Roberto Catunda gaf een teken waarop de soldaten in actie kwamen.

De officier aarzelde.

Zijn eigen grootmoeder was priesteres. Haar dwarsbomen was de goden vragen om ellende. In zijn pubertijd had hij eens door oma’s toedoen overhoop gelegen met de heilige Zumbarandá, die maandenlang zijn baardgroei had ontregeld.

Bevel was natuurlijk bevel, maar terwijl zijn mannen over de kale, houten vloeren van haar huisje klosten, haar kastjes doorzochten, en de strovulling van haar matras, keek de militair het oudje een paar maal aan als om de inbreuk te verzachten en lachte verontschuldigend.