Vernietiging

S. Montag

In de zomervakantie gingen we vroeger – voor de oorlog – naar een badplaats met een mooi breed strand. Mijn vriendjes en ik bouwden daar forten. Je had twee soorten. Voor de eerste moest je een kuil graven. Met het daardoor gewonnen zand maakte je een borstwering, zo stevig, zo hoog mogelijk. Want na een paar uur werd het weer vloed en dit fort moest zo lang mogelijk tegen het wassende water bestand zijn.

Het fort van de tweede soort bouwde je voor het mooi, van vochtig zand. Torens op de hoeken, kantelen op de muren, alles mooi gladgestreken. Het was klaar, we waren trots. En toen gebeurde het op een middag dat er drie grote jongens kwamen aangeslenterd.

Ze zagen ons prachtige fort. De voorste gaf een trap tegen een muur, de volgende sprong met twee benen tegelijk in het midden, met z’n drieën verwoestten ze binnen een paar minuten het hele bouwwerk. Die jongens waren veel te groot om mee te gaan vechten. Verstomd hebben we van een afstand toegekeken.

Een enkele keer denk ik aan onze kunstwerken van zand. Als ik bijvoorbeeld op het journaal de beelden van een Syrische stad zie, het puin in de straten, zwarte gaten waar vroeger ramen waren, lange rijen huizen veranderd in ruïnes, het geheel het tafereel van een onbeschrijfelijke bende.

Dat is een ordelijk, levendig stadsdeel geweest. Het heeft behoorlijk veel tijd en energie gekost om het tot deze puinhoop te hervormen. Waarom hebben ze dat gedaan? Je kunt een individu haten, zodanig dat je het wilt vernietigen. Desnoods betrek je zijn hele familie erbij. Maar dan ook nog zijn huis met de grond gelijk maken en alsof dat nog niet genoeg is de hele straat? Dat gaat al veel te ver. En toch houden ze het in Syrië al bijna vier jaar vol.

Het gebeurt in alle oorlogen. Wederzijdse vernietiging, begaan door legers, grote groepen mensen die individueel niets met elkaar te maken hebben gehad, maar die onder omstandigheden proberen elkaars eigendommen, dierbaarheden te verwoesten en elkaar uit te moorden.

Daarbij verklaart iedere partij daartoe het volste recht te hebben en op de beslissende hulp van God te kunnen rekenen. Alleen een heel enkele keer vermeldt de geschiedenis een incident waarbij mensen, soldaten, hun hersens op de goede manier hebben gebruikt, zoals met Kerstmis 1914.

De oorlog had bijna een half jaar geduurd, er was al flink gesneuveld, de soldaten van beide partijen waren aan het leven in de loopgraven gewend geraakt. Toen is er een soldaat geweest die gedacht heeft: Ik verdom het om verder te schieten. Ik ga voetballen!

Hij besprak het met zijn buurman. Die vond het een goed idee, het ging als een lopend vuurtje door de loopgraven. In het niemandsland traden de elftallen aan, de Duitsers wonnen met 3-2. Voetbal werd even een rage aan het front. De officieren moesten met de wapens de manschappen dwingen om weer te gaan vechten.

Waarom zijn die voetbalsoldaten geen historische helden geworden? Er is een grote verzameling boeken over de Eerste Wereldoorlog, maar vredeshelden spelen in de literatuur geen rol.

Tijdens de Joegoslavische burgeroorlogen in de jaren negentig heeft de destijds beroemde Ajacied Velibor Vasovic voorgesteld om de strijd verder in de stadions uit te vechten. Hij werd weggelachen. Die oorlogen hebben een half miljoen mensen het leven gekost.

Met vredesoproepen word je uitgelachen, met oorlogskreten onsterfelijk. Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden, zou de Romeinse senator Cato (234-149 voor Christus) aan het einde van iedere redevoering gezegd hebben. Hij heeft zijn zin gekregen en meer dan 22 eeuwen later moeten we dat leren in een taal die niet meer wordt gesproken.

Natuurlijk is er een andere kant van de vernietiging, bijvoorbeeld onder woorden gebracht door onze overigens zo zachtmoedige dichter Johan Andreas Dèr Mouw. ‘Om één jaar jong te zijn gaf ’k ziel en God,/ Ik die geluksdorst met ekstazen les;/ Ja, ja, stompzinnig ergens in de Nes/ met dronken prolen slaan de boel kapot.’