Terecht dat de krant hulplijn nu vermeldt bij zelfdoding

Zal Joost Zwagerman na zijn zelfmoord vooral worden herinnerd als een bekende Nederlander die bevriend was met vele andere bekende Nederlanders die zich, soms in het openbaar voor het front van de televisiekijkers, geschokt toonden over zijn dood? Of markeert zijn zelfmoord iets van een kentering in de journalistiek over zelfdoding?

Wie weet. De Wereld Draait Door draaide nu eens niet door, maar stond een uitzending lang indringend stil bij Zwagermans zelfgekozen dood. NRC Handelsblad, dat vijf jaar geleden uit de bocht vloog bij de zelfmoord van acteur Antonie Kamerling , herdacht de schrijver met een geserreerde necrologie van literair redacteur Arjen Fortuin, die gepaste afstand bewaarde tot de zelfmoord.

Op de site van Vrij Nederland meldde suïcidespecialist Jan Mokkenstorm, oprichter van de hulplijn 113online.nl, donderdag dat hij voorafgaand aan de uitzending contact had opgenomen met de redactie van DWDD met de mededeling „Jullie programma kan levens kosten – maar ook redden.” Als de zelfmoord niet alleen maar werd ‘gerespecteerd’ als een onvermijdelijk lot, of als een oplossing. In de uitzending sprak Jessica Durlacher treffend van een „kortsluiting”.

Een betrokken, maar afgewogen benadering kan volgens Mokkenstorm bijdragen aan zelfmoordpreventie – zoals, omgekeerd, het aantal zelfmoorden volgens hem steeg na de berichtgeving over de zelfmoord van Antonie Kamerling. Het zou ook stroken met wat Zwagerman zelf bepleit in Door eigen hand (2005), waarin hij zich afzet tegen romantisering van zelfmoord – wat hij al eerder deed in een opiniestuk in deze krant, Zelfmoord op bestelling (5 oktober 2002).

Aan de dood van Joost Zwagerman wijdde NRC Handelsblad een dag later vier pagina’s, met het accent op zijn leven en werk, en niet op ziekte en psychiatrie, al werden die onderwerpen niet gemeden. Zwagermans obsessie, bij vlagen, met zelfmoord werd behandeld in een apart stuk, met citaten uit zijn werk.

En met een opvallende, recente vernieuwing. Bij dat stuk stond een kader Praat erover, met de gegevens van een hulplijn voor mensen die worstelen met suïcidale gedachten. Dat is de uitkomst van een eerdere discussie ter redactie, inclusief een bezoek van Mokkenstorm (een interview met hem staat vandaag in de krant). Dat ging om de vraag of de krant ook een verantwoordelijkheid heeft om bij indringende stukken over zelfmoord mensen te wijzen op een alternatief.

Dat kader vind ik een goede beslissing– al zal het ook niet altijd hoeven. Bij concrete, persoonlijke verhalen over psychisch lijden en dood – niet weinig in de Nederlandse media anno 2015 - kan het zeker goed zijn. In België gebeurt het al langer. The Times on Sunday drukte zo’n kader onlangs af bij een stuk van Julie Burchill over de zelfmoord van haar zoon.

Wat mij betreft had zo’n kader ook mogen staan bij een ander recent stuk over psychisch leed en zelfdoding, dat veel lezersreacties opriep. Een opiniestuk van de bekende maar ook omstreden psychiater Bram Bakker, die protest aantekende tegen de euthanasie van zijn oud-patiënt en latere vriend, dichter Rogi Wieg. Bakker keerde zich tegen die euthanasie, onder de kop Psychisch lijden los je niet op met een doodvonnis (3 september).

Schond de krant daarmee het medisch beroepsgeheim, willen lezers weten. Dat bepaalt immers dat de hulpverlener in principe alles wat hem bekend is over de patiënt geheimhoudt (ook na diens dood). Moest deze ,,zelfoverschatting” nu in de krant? Andere lezers vonden het stuk herkenbaar of ,,fijngevoelig’’.

Allereerst, het medisch beroepsgeheim geldt niet voor journalisten – als het maatschappelijk belang groot genoeg is, kunnen die een arts over een geval uit zijn praktijk aan het woord laten. Maar ook hier heeft de krant lesgeld betaald, en is voorzichtigheid geboden.

Overigens: journalisten laten vaker psychiaters aan het woord over mensen die juist niet hun patiënt zijn, met diagnoses op afstand. Dubieus, lijkt me. De informele kwalificatie „psychopaat” over Holleeder, gebezigd door diens zus, kun je tenminste nog opvatten als lekendiagnose – die om die reden wel kan.

Artsen zelf kunnen in voorkomende gevallen ook van hun beroepsgeheim afwijken met uitdrukkelijke toestemming van de patiënt. En zo was het hier. Dat Bakker behandelaar is geweest van Wieg, was publiek bekend. Wieg zelf sprak en schreef er over, bijvoorbeeld in Trouw in 2003, toen de twee samen door het land trokken om te laten zien „dat er hoop is voor psychiatrische patiënten” (Hij zei toen: „Ik ben niet het aapje van Bakker, ook niet zijn wonder. Zijn methode werkt gewoon.”). Bakker op zijn beurt over Wieg: „Hij was leuk gek, het soort patiënt waarvoor ik dit vak had gekozen.”

Hoe gepast dat is, is de vraag – maar een onthulling deed de krant dus niet.

Ongepast vonden enkele briefschrijvers in elk geval dat Bakker de latere behandelaar van Wieg bekritiseerde: Bakker zag namelijk zelf nog „volop mogelijkheden” voor behandeling, in plaats van het nu gevelde „doodvonnis”.

Uiteraard kan het maatschappelijk relevant zijn om de medische praktijk kritisch te toetsen, zeker in de beladen discussies over euthanasie bij psychisch lijden – dat is ook een taak van de journalistiek. Een persoonlijke aanklacht van een arts die, discreet, put uit zijn eigen ervaring, is niet per se verkeerd. Alleen: dan moet het wel een goed stuk zijn, waarin de zaak centraal staat en niet de persoonlijke beleving van de auteur.

Dit stuk van Bakker vond ik zelf vooral warrig en onduidelijk, nog afgezien van de misplaatste term „doodvonnis”. Hij zet zich af tegen euthanasie bij psychisch leed, maar toont begrip voor zelfmoord – maar zou hij daar dan, als arts of vriend, wél bij willen helpen? Bovendien, Bakker zag nog „volop” kansen voor zijn vriend Wieg, maar stelt tegelijk dat alleen God, „als die bestaat”, kan weten of psychisch lijden uitzichtloos is.

Je zou zeggen, dan weet ook alleen Hij dus of behandeling nog zin heeft.

Kortom, een verwijzing om ,,erover’’ te praten, had ook bij dit stuk niet misstaan. In de geest van Zwagerman.