Shanghai als schuilplaats

Oscar Garschagen in Shanghai

Natuurlijk is Shanghai trots op de geschiedenis van tienduizenden Duitse en Oostenrijkse joden die hier tachtig jaar geleden een schuilplaats vonden. Compassie met de vervolgde joden speelden in het Shanghai van 1938 echter nauwelijks een rol, althans niet van officiële zijde. Dat de Weense grootouders en ouders van Ron Klinger (74) en tienduizenden lotgenoten zonder paspoort of visum werden toegelaten, lag simpelweg aan onverschilligheid.

De Japanners, die de Chinese metropool een jaar eerder hadden veroverd sloegen geen acht op de westerse vluchtelingen die aankwamen met Italiaanse schepen. Van controle van visa, documenten, middelen van bestaan was geen sprake, ook niet door de Chinese Guomindang-bestuurders van de stad. Waarom zouden zij immers?

„Mijn grootouders hadden een papiertje van de Chinese consul in Wenen, meer niet”, weet de 74-jarige Amerikaan Ron Klinger, geboren in Shanghai, zich uit de familieverhalen te herinneren. Het was deze consul, de Guomindang-ambtenaar Feng Shan Ho, aan wie tienduizenden Duitse, Oostenrijkse en Hongaarse Joden hun leven te danken hebben. Hij besloot uit compassie uitreisvisa te verstrekken en dat nieuws verspreidde zich snel in de joodse gemeenschappen. Daardoor was China samen met de Dominicaanse Republiek het enige land dat Joden onbeperkt toeliet.

Niet dat de Communistische Partij van China daar destijds veel mee te maken had – de communisten vormden toen nog maar een kleine ondergrondse beweging- maar in dit jaar dat het einde van de Verzetsoorlog tegen de Japanse Agressie wordt gevierd, is de trots groot. Shanghai als internationale stad, als schuilplaats voor de slachtoffers van het fascisme, past bij het imago dat zorgvuldig wordt opgebouwd en trekt ook toeristen.

Voor deze doelen is Im Weissen Ross’l herbouwd, het koffiehuis dat Ron Klingers grootouders meteen na hun aankomst in 1938 openden en dat snel uitgroeide tot het ontmoetingscentrum van de Joodse vluchtelingen.

Zelden worden in China gesloopte gebouwen opnieuw opgetrokken. In Shanghai zijn het gebouw waar in 1921 de Communistische Partij werd opgericht en Im Weissen Ross’l en de tegenoverliggende Ohel Moshe Synagoge uitzonderingen. Bij de heropening van het koffiehuis stromen felicitaties binnen uit de hele wereld, Israël voorop.

Of het destijds werkelijk om humanitaire gastvrijheid ging, blijft ook in het vernieuwde Shanghai Jewish Refugee Museum in het midden. Duidelijk wordt daar wel dat de 30.000 vluchtelingen ongelofelijke mazzel hebben gehad. Niet alleen waren zij net op tijd weg uit Duitsland en Oostenrijk, zij hadden het geluk en het geld om schepen te vinden en dat er zich in Shanghai al een welvarende, Joodse gemeenschap bevond. Gevestigde Joodse organisaties zorgden voor kleren, soepkeukens en opvang in Shanghai-Hongkou, het latere ‘Shanghai Ghetto’.

Op de korrelige zwart-wit foto’s in het koffiehuis en in het museum is goed te zien dat de Klingers en lotgenoten aankwamen in een stad vol met tanks, marcherende soldaten en anti-luchtdoelgeschut, een stad waar overigens de duurste restaurants en theelounges nog steeds vol zaten en champagneclubs en wijnbars weer her-opend waren.

Het moet voor de vluchtelingen bizar en angstwekkend zijn geweest om bij de eerste aanblik van het havenfront (de Bund) de swastika-vlaggen te zien op de gebouwen van Duitse bedrijven zoals Siemens en het Duitse consulaat.

Het wemelde destijds in swingend Shanghai van de nazi’s, onder wie Josef Meisinger, ‘de slachter van Warschau’. Deze later in Polen veroordeelde en geëxecuteerde SS-kolonel stelde in 1941 de Japanse legercommandant en het Guomindang-stadsbestuur voor het ‘Joodse probleem’ op te lossen en liet hem demonstratief een bus Zyklon-B zien. Waarom en door wie dat waanzinnige idee werd afgewezen is nooit bekend geworden. En daarom kon Ron Klinger vorige week zeggen: „Wij zullen Shanghai altijd diep dankbaar blijven.”

PS: De Chinese grenzen blijven voor Syrische, Afghaanse en Afrikaanse vluchtelingen gesloten.

    • Oscar Garschagen in Shanghai