Column

Niet alleen banken hebben hulp nodig

Bijna alle Europese landen hebben de laatste jaren, vanwege de crisis en uit ideologische overwegingen, flink in de begroting gesneden. Potjes voor ontwikkelings- en humanitaire hulp zijn daarbij vaak als eerste gesneuveld. Dat was kortzichtig, om niet te zeggen oliedom. Een van de belangrijkste redenen dat Syriërs, Afghanen en Irakezen naar Europa komen, is dat de opvang in de regio alsmaar slechter wordt. Het Midden-Oosten staat in brand, er komen steeds meer vluchtelingen. Maar Europese regeringen geven veel te weinig aan de hulporganisaties die voor deze mensen moeten zorgen.

Vorig weekend alleen al trokken ten minste 20.000 mensen via Turkije Europa in, veelal Syriërs die een poos in kampen in Turkije, Libanon of Jordanië hebben gezeten en die alsnog besloten hebben om daar weg te gaan. Geld en andere reserves raken op. De oorlog in hun land duurt voort. Velen zijn meer op humanitaire hulp van UNHCR of World Food Program (WFP) aangewezen dan toen ze twee, drie jaar geleden kwamen. De spoeling wordt dunner: er zijn nu ruim 4 miljoen Syrische vluchtelingen. Ze mogen niet werken en worden in het ‘gastland’ hooguit getolereerd. De UNHCR heeft dit jaar van al het geld dat ze hiervoor nodig heeft, maar 37 procent gekregen. WFP, dat eveneens voor elke crisis met de bedelnap langs hoofdsteden moet, kreeg 19 procent. Volgens een rapport van VN-organisaties uit juli is er een zogeheten funding gap van 3,47 miljard dollar voor Syrische vluchtelingen alleen al. Voedselrantsoenen voor 1,6 miljoen mensen zijn tot een minimum gereduceerd. 750.000 kinderen kunnen niet naar school. UNHCR-baas António Guterres hekelde het feit dat menig land meer heeft uitgegeven aan bailouts voor banken dan de hele wereld aan humanitaire hulp. Hij noemde UNHCR’s financiële noden in juli ‘gevaarlijk’.

Europese politici praten al jaren over ‘opvang in de regio’. Het is een aantrekkelijk concept: mensen dichtbij huis opvangen, in een min of meer bekende omgeving, zodat ze niet helemaal naar Europa hoeven en later makkelijk terugkunnen. Maar we hebben niet genoeg gedaan om te zorgen dat het ook wérkt. In 1970 hebben EU-landen afgesproken om 0,7 procent van het bruto binnenlands product (bbp) aan ontwikkelingshulp te geven. In 2005 heeft de EU die belofte plechtig herhaald. Er zijn allerlei manieren (en trucs) om aan dat percentage te komen. Maar feit is dat maar vier lidstaten het percentage nog halen: Luxemburg, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Denemarken. Ook in deze landen was het vroeger méér. De rest zit onder de 0,7 procent. Nederland kwam vorig jaar uit op 0,63 procent. De nieuwe Finse regering gaat het ontwikkelingsbudget met 43 procent korten. Frankrijk zat vorig jaar op 0,36 procent. Oost-Europese landen geven rond 0,1 procent uit en crisislanden in Zuid-Europa (Spanje, Griekenland, Italië, Portugal) amper 0,2 procent. Extra humanitaire bijdragen komen soms uit andere potjes. Maar waar het ook vandaan komt, Guterres ziet er weinig van: „We hebben niet genoeg geld om de komende zes maanden miljoenen mensen te laten overleven.” De EU geeft jaarlijks zo’n 1 miljard euro aan humanitaire hulp uit, deels via de VN. Zij is de grootste donor ter wereld. Maar 1 miljard is minder dan 1 procent van de Europese begroting. En die is maar 1 procent van de begrotingen van de lidstaten.

Deels hebben wij deze influx over onszelf afgeroepen. Commissievoorzitter Juncker zei deze week, terecht: „Ontwikkelingshulp moet omhoog, niet omlaag.” Dat zal lastig worden, omdat elk EU-land nu meer geld moet uitgeven aan binnenlandse opvang, integratieprojecten en dergelijke. Maar het moet.

Caroline de Gruyter is correspondent in Wenen en schrijft wekelijks een column over politiek en Europa