Kunnen we normaler doen over eten?

Eten is politiek. Of het nou gaat om de technologie achter ons eten (E-nummers, klonen, genetische modificatie van gewassen). De gezondheidsrisico’s bij de productie van ons eten (de dioxinecrisis, de EHEC-epidemie, de gekke-koeienziekte, Q-koorts). Of de voorlichting over ons eten (wanneer mogen bedrijven voedsel aanprijzen als gezond? Daphne Deckers die in een reclame een lolly aanbeveelt als fruit voor kinderen, mag in elk geval niet).

Eten gaat ons allemaal aan en daarmee ook de politiek. Zoals vaker wordt de vooruitgang diep gewantrouwd. Er is heimwee naar de kleine boer, naar ‘eerlijk eten’ waar niet mee gerommeld is. Dat die kleine boer toch een stuk minder monden kon voeden dan de huidige industrie wordt gemakshalve vergeten.

Eten is ook politiek omdat boeren van oudsher een innige relatie hebben met de overheid. Er zijn weinig sectoren die wereldwijd zoveel geld toegestopt krijgen als de agrarische. Superenthousiast geldschieter is Europa. Als je de Europese Unie definieert aan de hand van zijn uitgaven dan is Brussel een immense subsidieverstrekker aan de agrarische sector: ruim 50 miljard euro.

Wantrouwen van consumenten en een krachtige lobby van boeren maakt voedsel een markt die zucht onder overbemoeienis van de overheid. Regels, betutteling, beleid dat zwalkt, het hoort er allemaal bij. Geen wonder, als zowel consumenten als producenten politici platwalsen met verzoeknummers.

Als een overheid eenmaal begint met geld uitdelen, dan schreeuwen de ontvangers voortdurend om meer hulp. Toen Rusland onze komkommers niet meer bliefde in 2011, toen Rusland nog veel meer van onze oogsten niet bliefde in 2014, telkens klinkt het: overheid, spring bij!

Deze week vroegen de Europese boeren weer om geld, in Brussel. Varkensboeren hebben het zwaar en willen steun. En melkboeren zijn bij nader inzien toch niet zo blij met het afschaffen van het melkquotum. De Nederlandse boeren juichten afschaffen toe; konden ze eindelijk ook eens de wereldmarkt veroveren. Maar nu is er natuurlijk te veel melk, stort de melkprijs in, werken boeren onder hun kostprijs en willen ze hulp van de overheid. Tja, zo ken ik er ook nog wel een paar.

„De wereldeconomie is een ongeleid projectiel. Belangrijke sectoren, als voedsel, hebben regulering nodig,” zei de voorman van de melkveehouders in deze krant.

Maar beste meneer, dat geldt voor alle bedrijven. Dan kunnen belastingbetalers élk bedrijf gaan compenseren, wanneer de wereldeconomie even de verkeerde kant op gaat.

O p- en neergang hoort echt bij de economie en dus bij ondernemen. En dat zal je echt zelf moeten opvangen, ook als boer ( hoge uitzonderingen daargelaten). ASML uit Veldhoven, fabrikant van chipmachines, is niet anders gewend. Daar is het hollen of stilstaan: óf ASML kan niet genoeg machines maken om de vraag bij te benen, óf ze zitten met veel te veel machines die niemand wil hebben. Normale tijden kennen ze nauwelijks. Op grillige markten hebben boeren geen monopolie.

Er is nog een argument tegen al die hulp: je beloont slecht gedrag en straft de verstandige ondernemer. Elke keer dat de overheid zielige boeren redt die geen buffer aanlegden voor slechte tijden, staat de ondernemer die wel een buffer aanlegde voor gek. Die kijkt de volgende keer wel uit: hij kan net zo goed meer risico nemen, want de overheid redt je toch wel. Met elke ronde hulp zal je dus minder boeren krijgen die voor zichzelf kunnen zorgen.

Van mij mag de markt voor voedsel dus een stuk normaler worden, of moet ik zeggen gezonder?

    • Marike Stellinga