Ik hou van de kracht van fluisteren

Veronique Branquinho doet haar eigen zin. Al achttien jaar creëert ze met haar tijdloze ontwerpen een eigenzinnig sprookje, stoer en romantisch. „Mijn mode gaat over verlangen.”

tekst Milou van Rossum foto Anton Corbijn

Pre-spring collectie 2016

Er hingen alleen jurken in de showroom in New York. Vijftien modellen, allemaal vloerlang. Djellaba’s, jurken met kant en ruches, mouwloze jurken met een kraagje en een rok met smokwerk. Jurken waarin je je de hoofdpersoon in een verhaal waant: een prairiemeisje, een bosnimf, het middelpunt van een midzomerfeest, dansend op blote voeten.

Het was een presentatie die er afgelopen juni uit sprong tussen alle andere presentaties van de pre-springcollecties – de meeste modehuizen maken tegenwoordig vier collecties per jaar en New York is de favoriete stad om de collecties te tonen die rond de jaarwisseling in de winkels komen. De collectie toonde de Belgische modeontwerper Veronique Branquinho op haar best: ongegeneerd romantisch, maar ook modern, ingetogen en comfortabel.

De collectie viel ook op omdat ze het als enige ontwerper aandurfde weinig kleding te laten zien, en de jurken waren alleen te bestellen in zwart of wit.

Minstens zeventig stuks is tegenwoordig de ongeschreven regel voor een collectie. „Zoveel broeken, zoveel jasjes, zoveel tops, zoveel rokken”, zegt Branquinho (43), een mooie verschijning met een fijn gezicht die zich kleedt in broeken en jasjes van eigen hand – het soort vrouw dat de aandacht trekt zonder die op zich te vestigen. „Maar waarom moeten er zoveel kleren gemaakt worden? Er is al zoveel. Het werd een beetje een invuloefening. Ik had dit keer helemaal geen zin om broeken en jasjes te ontwerpen. Ik had zin in jurken. En mijn zin bleek besmettelijk te zijn. We hebben lange tijd niet zo goed verkocht.”

Of zoals de recensent van Style.com, een van de invloedrijkste modesites ter wereld, schreef: „Je verliet de presentatie met het vage besef dat het stom zou zijn begin 2016 iets anders te dragen dan een lange djellaba, of een tuinbroekjurk met zigzagplooien op de rok.”

Tegen de stroom in gaan – daarmee zette Branquinho zich in 1997 ook in één keer op de kaart. De onschuldige witte jurken en rokken uit haar debuutcollectie waren een radicale breuk met de harde, expliciet seksuele stijl van die dagen, die pornochic genoemd werd. Het tegengeluid maakte haar in een keer tot een bekende naam. Na haar eerste Parijse modeshow werd ze in New York uitgeroepen tot beste nieuwkomer in de mode – Jennifer Lopez reikte haar de prijs uit .

In de loop der jaren liet ze zien dat ze meer kan dan alleen mooie kleren ontwerpen. Haar met leer beklede pilotenzonnebril was een instant klassieker, net als de de op een enveloppe geïnspireerde schoudertas die ze in 2009 voor het chique Belgische merk Delvaux ontwierp. Ze heeft al sinds 1999 een eigen schoenenlijn.

De basis van haar collecties is altijd hetzelfde: lange jurken en (plissé)rokken, hooggesloten blouses, broekpakken. Lichte katoen voor de zomer, dikke wol voor de winter. Er zitten in haar mode invloeden van de stijl van de jaren zeventig, van schooluniformen, de fotografie van David Hamilton en de kleding uit de Victoriaanse tijd, Brits kleermakerschap. Maar ook altijd een vleugje rock-’n-roll, en het stoere, ongepolijste dat kenmerkend is voor Belgische ontwerpers. Als je Branquinho’s stijl zou moeten samenvatten in een voorwerp, dan is het de geheel met tweed beklede oude Porsche die in 2008 te zien was op de overzichtstentoonstelling in het MoMu in Antwerpen ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van haar label.

Haar collectie voor dit najaar heeft de sfeer van het Britse platteland: lange capes en jurken, en naast zwart leer veel tweed en lange, zijden jurken in pasteltinten. Op kasjmier truien staat een ingebreid fragment uit een gedicht van Emily Brontë uit 1838: I’m happiest when most away.

Branquinho’s ontwerpen vragen wat van een vrouw; in een vloerlange rok loop je niet zomaar de trap af – die moet je omhoog houden.„Ik houd van zulke gebaren”, zegt ze. „Een jurk alleen is nog niets. Alles staat of valt bij de vrouw die hem draagt, hoe ze zich beweegt. Zeker in een tijd waarin we niet meer gewend zijn lang te dragen, maakt een lange rok je erg bewust van je vrouwelijkheid.” Veel huid laten zien doet ze zelden. Soms een blote rug, een blote arm, een decolleté, daar blijft het bij. Veel bloot vindt ze „te gemakkelijk”. „En niet aantrekkelijk. Niet bij een man, niet bij een vrouw. Maar mijn kleding is niet aseksueel, zoals vaak wordt gezegd. Het is geladen. Ik houd van de kracht van het fluisteren, van gelaagdheid, van misschien wel, misschien niet. Mijn mode gaat over verlangen – dat is altijd mijn grote drijfveer geweest.”

Als ze als kind naar haar Vlaamse grootouders in Mariekerke ging, werd ze altijd getroffen door een huis bij hen in de straat. Een typische jarenzeventigbungalow met rechte lijnen en wit gesausde muren en ramen tot op de grond. Modern, maar niet uitzonderlijk van architectuur, „eigenlijk een heel normaal huis”. Maar voor haar een bewijs dat er iets anders bestond. Iets dat niet gewoon was, maar clean, ontworpen. „Iedere keer weer keek ik mijn ogen uit, zo geweldig vond ik het.”

Branquinho groeide op in Vilvoorde, een voorstadje van Brussel dat nu berucht is vanwege het grote aantal Syrië-gangers. In de jaren zeventig woonden er veel immigranten uit Spanje en Portugal. Branquinho’s Portugese vader werkte in een machinefabriek in het nabijgelegen Grimbergen, haar moeder was nachtverpleegster, ze hebben elkaar, „als in een stationsromannetje” ontmoet toen hij in het ziekenhuis belandde met een gebroken been.

In Vilvoorde was, zegt ze, „niks”. Nou ja – een Renault-fabriek en een koekjesfabriek. Het gezin Branquinho woonde in een „dertien in een dozijn rijtjeshuis”, door haar moeder overvloedig gedecoreerd met prullaria. „Nog steeds kun je geen boek uit de kast pakken, want op elk boek staat een pop of een porseleinen beeldje of ligt een gehaakt kantje. Zo kun je toch niet leven? Als puber heb ik me daar enorm tegen afgezet. Mijn kamer was helemaal wit, daar kwam helemaal niets aan de muur.

„Mijn broer en ik hebben een fijne jeugd gehad. Het was een warm nest, en er waren veel kinderen in de buurt. Maar vanaf het moment dat ik enig besef had, dacht ik: ‘Dit kan het niet zijn’.”

Meer dan dertig jaar later woont Branquinho in Schiplaken in een huis dat precies lijkt op het huis dat ze vroeger zo bewonderde: een fraaie, witte bungalow uit 1979, met een grote tuin eromheen. Toen ze het huis tien jaar geleden zag, was de koop binnen tien minuten beklonken.

Ook de binnenkant van haar huis brengt je terug naar de jaren zeventig: de plavuizen vloer, de huisbar en de schrootjes aan het plafond zaten al in het huis, ze heeft het ingericht met jarenzestig- en zeventigmeubels als de Togo bank van Ligne Roset, lampen van Verner Panton en houten wandmeubelen. Daarin staan de fotokubussen die veertig jaar geleden zo populair waren. Rondom een pick-up staan stapels elpees en singles, flink wat zijn van Nederlandse zangers en groepen: de Frank Boeijen Groep, Jaap Fischer, Doe Maar („Avro’s Toppop wilde ik vroeger voor geen goud missen”). Door het raam is te zien hoe haar vriend Joost, een leraar talen, lege wijnflessen omgekeerd in de grond steekt, hij maakt een terras.

De enige stijlbreuk is een wit metalen ziekenhuiskastje dat uit de jaren vijftig lijkt te komen. Het is nog van haar ex, de modeontwerper Raf Simons, tegenwoordig verantwoordelijk voor de vrouwencollecties van Christian Dior.

Aan de bungalow zit sinds drie jaar een spiegelende, glazen kubus van twee verdiepingen. Daar werkt ze met ontwerper Dirk Van Saene („Hij komt een keer per week langs, hij is mijn klankbord”), een assistent en twee stagiaires aan haar collecties. The Pin Cushion Queen (De Speldenkussenkoningin) heet haar bedrijf, naar een gedicht van regisseur Tim Burton. „Zijn films zijn sprookjesachtig, maar ook dreigend, donker. Dat zit ook in zijn gedichtjes.”

Life isn’t easy

for the Pin Cushion Queen

When she sits on her throne

pins push through her spleen.

Modeontwerper worden was nooit Branquinho’s meisjesdroom. Als kind wilde ze ballerina worden. Op haar elfde deed ze toelatingsexamen bij het Ballet van Vlaanderen. De droom viel in een keer in duigen. „Je hebt dat, of je hebt dat niet, hè. Ik was ook al te lang voor klassiek ballet. En ik had maar een avond per week les. Ik had geen idee, natuurlijk. Misschien was het anders gelopen als ik had geweten dat er ook moderne dans bestond.”

En toen werd het mode?

„Van mode had ik toen nog geen besef. Maar ik zat op tekenles, ik was altijd aan het kijken naar dingen. En bij alles wat ik zag, of het nou een vaas was of een broek, was het een sport om te bedenken hoe ik die mooier zou kunnen maken.”

Mode begon midden jaren tachtig voor haar te leven. Het was de tijd van power dressing en Dynasty, dat stond allemaal heel ver van haar af. Maar toen ontdekte ze, op haar vijftiende, BAM, Belgische Avant-Garde Mode, een blaadje dat als extraatje bij een modebijlage zat. Daar stonden de Zes van Antwerpen in; Ann Demeulemeester, Dries Van Noten, Dirk Van Saene, Walter Van Beirendonck, Dirk Bikkembergs, Marina Yee. De foto’s waren zwart-wit, de mode was „een beetje trashy en rauw”.

„Dat was een taal die ik begreep”, zegt ze. „Het ging niet over glamour, maar over echte kleren, het soort kleren dat ik zelf maakte van dingen die ik vond op rommelmarkten. Ik kwam erachter dat er zoiets bestond als de Academie voor Schone Kunsten. En opeens wist ik wat ik wilde doen. Ik zat op een kunstzinnige middelbare school, daar had ik thuis hard voor moeten vechten omdat ik goed kon leren. Maar mode werd door mijn ouders vrij snel geaccepteerd; dat was een concreet beroep. Vanaf dat moment ging het eigenlijk heel vlot.”

Meteen nadat ze de modeopleiding aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen had afgerond, kon ze aan de slag bij Natan, het Brusselse merk waarop Máxima nu zo dol is. Maar ze voelde zich niet op haar plaats bij de „Brusselse bourgeoisie”. Ook een stage bij Miu Miu, de tweede lijn van Prada („Italiaanse koketterie”) werd geen succes. „Ik had altijd kleren van Martin Margiela aan, mijn haren waren zwart of platinablond geverfd. Ik wilde me niet aanpassen aan een andere stijl.” Ze solliciteerde bij Dirk Van Saene en bij Martin Margiela, maar kon bij beide huizen niet terecht.

„Ik was destijds met Raf. Hij was toen al begonnen met zijn merk en liet zijn collecties maken bij een Belgische fabrikant. Die fabrikant had ook een eigen, commerciële lijn, en daar kon ik terecht. Die man voelde dat ik zelf iets wilde doen, dat ik ongeduldig was. Hij heeft me toen geholpen om dat op te zetten. Ik ben zo brutaal geweest om te zeggen: ‘Ik wil het op mijn manier doen’. Hij wilde met mijn collectie naar een beurs, maar ik wilde niet tussen andere merken staan. Ik ben naar Parijs gegaan en ben daar een beetje rond gaan lopen. Ik zag een galerie die niet al te groot was en vroeg of ik die kon huren. We hebben foto’s gemaakt van meisjes die in mijn kleren door een bos renden en die opgehangen. Daar zette ik twee rekjes met kleding naast, dat was het. Ik herinner me nog dat het op een gegeven moment zo druk was, dat ik eigenlijk alleen nog maar weg wilde.” Binnen een week had ze meer dan 25 bestellingen van winkels, waaronder warenhuis Barneys uit New York.

Uw stijl werd heel snel door anderen opgepikt, met name de Victoriaanse blouses werden een grote trend.

„Ik stond daar toen niet bij stil. Na die eerste collectie was de vraag niet wat mijn volgende stap zou zijn, maar waar ik mijn eerste show zou gaan geven. Ik rolde er gewoon in, ik had geen idee dat het zo aansloeg.”

Ook niet toen u uitgeroepen werd tot beste nieuwe ontwerper?

„Madonna was er die avond ook in Madison Square Garden in New York. Het was een beetje surrealistisch. Zo’n camera met een grote arm die op je afkomt. Ik dacht: ik ben hier niet echt.”

Ondertussen was ook Raf Simons een naam aan het worden in de mannenmode.

„Wij beseften niet dat een carrière ook moeilijk kan beginnen.”

Was er sprake van concurrentie tussen jullie?

„Dat is een groot woord. Maar we waren wel competitief. Ons hele leven stond in het teken van de mode. We waren er ook zo vol van, alles was nieuw en leuk en spannend, het ging over niets anders en het stopte nooit. Er was alleen maar werk; Ik kwam nauwelijks buiten. Maar ik was jong en onrustig en wilde de nacht in, ik was niet te houden. Na vijf jaar gingen we uit elkaar. Na de breuk was het even moeilijk. Nu zijn we weer goed met elkaar.”

Zo’n carrière als hij heeft – hoofdontwerper bij een beroemd huis – zou dat iets voor u zijn?

„Ik ben ooit benaderd door een groot huis. Dat aanbod kwam redelijk snel nadat ik was begonnen met mijn merk. Ik was nog veel te druk dat op te zetten. Ik besefte ook nog niet zo goed hoe groots zo’n baan is. Ik vind het belangrijk ook een leven te hebben buiten de mode.

„Ik maak graag mooie dingen. Als ik creëer ben ik altijd heel gelukkig. Het begint letterlijk met een vel wit papier. Je maakt een hele wereld. Maar roem en macht, het politieke spelletje dat je bij de grote modehuizen moet spelen – dat ligt allemaal niet in mijn karakter. Het geld dat je verdient met zo’n baan zegt me ook niet zo veel. Wat heb je daaraan, als je geen tijd hebt om het uit te geven?”

Hoe ziet uw leven buiten de mode eruit?

„Een dag niks kunnen doen, een beetje aanrommelen in huis, vrienden die langskomen. Daarom ben ik ook naar Schiplaken verhuisd. Toen mijn bedrijf nog in Antwerpen zat, woonde ik in een appartement dat eigenlijk meer een hotelkamer was. Het was er heel comfortabel, maar ik kon er niet tot rust komen; het was of werken, of de stad ingaan.”

Maar u heeft vast nog weleens teruggedacht aan dat aanbod van toen.

„Natuurlijk. Mijn leven had er dan nu heel anders uitgezien. Ik heb moeilijk periodes gekend, maar ik heb geleerd er op elk moment het beste van te maken. Ik ben al zo bevoorrecht: ik verdien mijn geld met iets dat ik graag doe.”

In de eerste jaren van dit millennium werden Branquinho’s kleren verkocht in winkels over de hele wereld. In 2003 voegde ze een mannencollectie toe, en opende ze een eigen winkel in Antwerpen.

Maar in 2008, het jaar waarin ze haar overzichtstentoonstelling had, sloeg de crisis toe, en dat betekende in 2009 het einde van haar bedrijf, waar toen nog veertien mensen werkten. „Ik ben niet failliet gegaan, zoals altijd wordt gezegd. Ik ben in het stadium daarvoor gestopt. We liepen in het bedrijf al een tijd op ons tandvlees. Het werd te veel, we waren moe van het vechten. De piek van het eerste succes was voorbij, en toen kwam de crisis. De Japanse markt stortte in. We hadden wel veel nieuwe klanten uit Rusland die heel veel hadden besteld, maar die konden de kleren niet betalen op het moment dat ze werden geleverd. Er waren een aantal belangrijke mensen uit het bedrijf weggegaan – weggekaapt – die we niet op tijd hadden kunnen vervangen. Als ik bij de fabriek kwam, ging het er alleen maar over of we een zakje of een naadje konden weglaten om het goedkoper te maken. We zouden hebben moeten halveren om door te kunnen gaan, maar dat kon ik niet opbrengen. Ik was het ook beu dat ik alleen maar zat te vergaderen. Er kwam een curator, die heeft alles opgeruimd.”

Was u opgelucht?

„Nee. Alles eraan was erg, maar het ergst vond ik het tegenover de mensen die ik in dienst had. Het is heel moeilijk om toe te geven dat het niet gelukt is.”

Wat deed u toen het achter de rug was?

„Ik heb me van de ene op de andere dag van het bedrijf afgekeerd. Letterlijk. Ik hoefde niet te zien hoe de curator alles voor een appel en een ei aan het verkopen was. Mijn archief heb ik aan twee musea geschonken. Dat gaf me het gevoel dat ik het niet helemaal voor niks had gedaan, dat wat ik had gemaakt toch een beetje betekenis had gehad. Ik dacht toen dat het voor altijd voorbij was.”

Hoe zag u de toekomst?

„Niet. Maar ik viel niet in een zwart gat. Ik was al begonnen als creative director bij [tassenmerk] Delvaux. Dat was fijn, een mooi product en een mooie wereld. Nu zijn ze in Chinese handen, toen nog niet. Ik moest er met weinig middelen veel doen. Dat voelde heel vertrouwd.”

En u ging op reis met uw toenmalige vriend, [de Belgische bioloog en televisiepresentator] Dirk Draulans.

„Die had ik net leren kennen. Hij volgde met een boot acht maanden het spoor van Charles Darwin. Hij had het over Afrika en alles, en ik mocht mee. Daarvoor kon ik nooit op reis. Ik ben een keer drie weken op vakantie geweest, een geweldige roadtrip door Californië, en toen ik terugkwam zei mijn personeel tegen mij: ‘Dat mag je nooit meer doen’. Dus toen kon ik eindelijk mijn kop laten luchten en eens iets van de wereld zien: Namibië, Tahiti, de Galapagoseilanden. Maar omdat ik voor Delvaux werkte, kon ik niet de hele tijd op reis.Ik maakte ook een lingeriecollectie voor Marie Jo, en schoenen voor Camper en mijn eigen merk. Ik was niet helemaal stilgevallen.”

In de tijd dat haar modemerk was gestopt, bleef Branquinho’s schoenenlabel wel bestaan. Haar kleding had ze altijd in België laten produceren, maar de schoenen zaten vanaf het begin bij de Onward Luxury Group, een Italiaanse modeproducent die in Japanse handen is en die ook schoenen en kleding produceert voor merken als Jil Sander, Chloé en Michael Kors.

De fabrikant drong aan op een herlancering van haar modelabel. En zijzelf begon, na jaren vergeefs te hebben gezocht naar een plan B, weer zin te krijgen in „een compleet verhaal”. „Alleen accessoires ontwerpen was het niet voor mij. Dus we zijn we begin 2012 om de tafel gaan zitten, en het werd vrij snel beslist. Ik kon binnen vijf maanden een show doen, of bijna een jaar wachten op de volgende modeweek. Ik heb me erin gestort, ik was bang dat ik anders gek zou worden van het nadenken.”

Hoe was het om na drie jaar terug te komen?

„Het is heel fijn om met Italianen te werken. Mijn kleren worden nu ook voor het eerst in Italië gemaakt. Ze hebben daar een ongelooflijke liefde voor hun vak. Het mag best iets langer duren om iets te maken, als het er mooier van wordt.”

Hoe werd er in de modewereld op uw terugkomst gereageerd?

„Veel mensen vonden het fijn dat ik terug was. Ik kreeg ook veel aandacht in de pers – goede recensies, interviews, ook in de Amerikaanse Vogue. Maar het is geen gemakkelijke start geweest. De modewereld was in die paar jaar sterk veranderd. Grote merken hebben het nu veel meer voor het zeggen, er is veel minder ruimte voor kleine labels.

„De winkels die kleinere labels verkopen, hebben het vaak ook moeilijk. Vroeger kochten winkeliers kleding in uit hartstocht, of uit een onderbuikgevoel. Nu komen ze met een rekenmachine in de hand. Maar goed, dat maak ik zelf niet meer mee, ik heb niks meer te maken met de verkoop, dat nemen de Italianen voor hun rekening. Ik ben alleen nog verantwoordelijk voor het creatieve gedeelte.”

Hoe gaat het met de verkoop?

„Dankzij de jurken uit de pre-springcollectie liggen we eind van dit jaar in een keer in drie keer zoveel winkels. Dat is fijn. Maar het is de bedoeling dat we nog groeien.”

Hoe lang loopt uw contract nog?

„Ik ben op de helft. Daarna kijken we verder . Ik maak me geen zorgen. Ik heb de afgelopen jaren geleerd: wat er ook gebeurt, met mij komt het goed. Ik vind altijd weer een manier om te creëren.”