Ik ben een industrietje

Carry Slee heeft zich verzoend met haar succes. Na een mislukte uitstap naar de literatuur, is ze weer thuis in de puberboeken.

Foto Merlijn Doomernik

Gek eigenlijk, zegt schrijfster Carry Slee (66) als ze haar broodje mozzarella al bijna op heeft. We zitten aan de tafel waar ze altijd zit als ze interviews geeft. Beetje apart, bij het raam. Bij Fabels in Bergen, waar ze woont. Of gek, het is meer jammer. We praten nu over haar nieuwste boek voor twaalf jaar en ouder, Kapot, en dat is natuurlijk prima. Maar hoe leuk was het geweest als niet een jeugdboek, maar haar literaire experiment voor volwassenen aanleiding geweest was voor een lunchgesprek. Even denken: literair, volwassenen, niet al te lang geleden verschenen... welk boek kan dat geweest zijn? Radeloos? Afblijven? Pijnstillers? Nee, dat waren toch echt jeugdboeken, allemaal verfilmd bovendien. En haar andere boeken voor volwassenen zijn al van veel langer geleden.

Het was Strijken, helpt Carry Slee. Vaag begint er iets te dagen.

Vanachter haar brillenglazen kijkt ze me aan. Niet boos of teleurgesteld hoor, eerder begripvol. Alsof ze bevestigd ziet wat ze al wist. Strijken kwam twee jaar geleden uit. Niet bij haar vaste uitgeverij die al tientallen boeken van haar drukte. Ze koos dit keer voor een andere, een literaire. En waar ging het boek over? „De hoofdpersoon is een man. Een schrijver. Een beroemde schrijver die gek wordt van zijn succes. Hij moet een lezing geven, maar zodra hij begint te praten, verdwaalt hij in zijn eigen hoofd. Hij gaat van waan, naar hallucinatie, naar illusie. Hij flipt totaal en voert de lezer mee in zijn gekte.”

Zo, zeg ik. Dat is wel wat anders dan we van haar gewend zijn. Ja, zegt zij. „Ik moest dat boek schrijven. Het was gebaseerd op hoe ik het ervoer.” Wat? Het succes? Ja, knikt ze. „Het gevoel geleefd te worden. De druk, de verantwoordelijkheid, het gevoel iedereen te moeten bedienen. Ik ben een industrietje. Mensen zijn afhankelijk van me. Iedereen rekent erop dat het volgende boek ook wel weer een succes zal worden.” In dertig jaar tijd schreef Carry Slee tachtig boeken. „Heel wat jaren schreef ik er drie per jaar. Ik leverde het manuscript in bij de uitgever, de dag erop begon ik aan iets nieuws.” Vele tienduizenden boeken verkocht ze. En dan de lezingen, de schoolbezoeken, de handtekeningensessies. „Rijen tot om de hoek.” Je weet gewoon, zegt ze, dat er een dag komt dat je lichaam al die druk niet meer kan opvangen.

De Carry Slee-BV

Die dag kwam. Maar eerst schreef ze dat volwassenenboek. De illustraties erbij werden gemaakt door Rudolf van Maanen. Kunstenaar en de man met wie ze lang geleden een relatie had. Jaha, lacht ze, bijna triomfantelijk. „Ooit was ik met een man.” Dat was voor ze Elles ontmoette, de vrouw met wie ze twee dochters heeft. Elles is al jaren fulltime medewerker van de Carry Slee-BV. „Toen mijn schrijven steeds beter liep, heeft ze haar baan opgezegd en is met mij gaan werken.” Elles >> >> doet alle sociale media (Slee heeft 75.000 volgers op Facebook), planning, organisatie. „We leven samen, werken samen. Alles samen, behalve vakantie.” Want? „Ik hou niet van vakantie.”

Haar carrière, zegt Carry Slee, is altijd „iets heel moois van ons vieren” geweest. De dochters lazen mee, verzonnen titels, mochten mee naar boekenfeestjes. „Als ik aan het werk was, zorgde Elles dat alles thuis gezellig doorliep. En omgekeerd deed ik hetzelfde.” Nooit kwam ze thuis en was het huis „een zooi”. Hun vrouwengezin, zegt Carry Slee, was een geoliede machine. „Vrouwen zijn verzorgender, meer betrokken bij elkaar. Ruzies of meningsverschillen hadden we niet.” Want vrouwen maken geen ruzie? „Wij niet. We zijn geen ruziezoekers. Als kind heb ik thuis genoeg ruzie gezien. Zo wilde ik het niet.” Haar dochters zijn inmiddels in de dertig en zelf moeder. Twee dagen per week past Carry Slee op hun kinderen. „Het was altijd carrière, carrière voor mij. Nu doe ik dit.”

Adrenaline

Terug naar dat boek van twee jaar geleden. Ze moest het schrijven, zegt ze. „Het was altijd: nog een boek en nog een boek. Ik kon niet meer. Niet nog een kinderboek. Ik dacht: nu ga ik schrijven wat ik zelf wil, ook al leest niemand het. Iets totaal anders. Niet een boek van de Carry Slee waar kinderen zo dol op zijn. Nee, ik liet een gekkere, apartere kant van mezelf zien.” Enfin, het boek verscheen. „Nu zouden de mensen het gaan lezen. Ze zouden het mooi of lelijk vinden. Het waanzinnig kraken, of zeggen: ‘jezus, wat een bijzonder boek’. Ik had mezelf volledig opgepompt. Barstensvol adrenaline. Wat het oordeel ook zou zijn, ik was er klaar voor.” Ze dompelt verse muntblaadjes in haar kopje. Wat gebeurde er?, vraag ik. „Niks. He-le-maal niks. Geen één krant plaatste een recensie. Het boek werd totaal genegeerd.” Het was, zegt ze, alsof mensen het niet aandurfden het boek te lezen. „Dit was geen Carry Slee.”

En toen? Is ze huilend in bed gaan liggen? Dat niet, zegt ze, maar het was niet makkelijk. „Ik viel in een enorm gat. Al mijn energie was weg. Ik was trillerig.” Maar, zegt ze, ze heeft er ook veel van geleerd. Wat dan? „Poeh, bijvoorbeeld: waarom moest ik dit nou zo nodig doen?” Nou? „Ik wilde blijkbaar iets laten zien. Mezelf bewijzen. Zo van: ik ga nu zoiets bijzonders doen. En iedereen zou dan zeggen: jeetje, dat ze dat ook kan. Waarom? Waarom moest ik die erkenning? Dat was nergens voor nodig. Ik had mezelf allang bewezen. Waarom moest ik zo nodig nog meer?” Ze wuift haar eigen vragen weg, het antwoord geeft ze niet. Wat ze wel zegt: „Succes is zwaar. Maar geen succes, vond ik toch ook wel heel erg.”

Het stomme is, zegt ze, dat ze al die ellende over zichzelf heeft afgeroepen. Ze heeft zelf de omwenteling geforceerd. „Ik doe dat wel vaker. Ruw met iets breken, iets totaal anders gaan doen, om uiteindelijk weer thuis te komen.” Toen ze 36 was stapte ze uit het onderwijs. Ze was dramadocent op een middelbare school. „Ik vond het best leuk, vooral die kinderen. Maar ik wilde eigenlijk niet voor de klas staan.” Ze wilde schrijven. Haar eerste boek verscheen in het jaar dat ze veertig werd. Een voorleesboek voor kleine kinderen. De leeftijd van haar leespubliek ging lang gelijk op met die van haar kinderen. „Mijn dochter had gedurende haar hele middelbareschooltijd een vriendje. Wat dat joch meemaakte, wat hij bij ons allemaal aan tafel zat te vertellen... Het leverde me het ene na het andere boek op.” Nog altijd heeft ze de meeste „feeling” met pubers. „Ieder mens heeft een stukje kind in zich. Mijn innerlijke kind is 12+.” In het ene na het andere boek verwerkte ze een erg onderwerp: discriminatie, drugs, pesten, loverboys, zinloos geweld. Haar lezers, vaak veel jonger dan de officiële doelgroep, smulden ervan.

Zo is ze ook spoorslags uit Bergen vertrokken. Ze woonde er sinds de geboorte van haar oudste dochter Nadja, zesendertig jaar geleden. „Eerst woonden we in een vakantiehuisje, maar toen het schrijven steeds beter ging en we rijker werden, >> >> kochten we er een huis.” En waarom wilde ze er weg? „We wilden naar de Veluwe. We vonden het zo prachtig daar. De mensen zijn heel aardig, heel zacht.” Maar? „Elles werd er gek. En ik vond ook mijn draai niet. De energie is daar zo anders. En de humor. Als ik een grapje maakte, gingen ze er serieus op in.” Ze verhuisden terug naar Bergen. „We zijn weer thuis. En fantastisch blij met wat we allemaal al hadden.”

Scheiding

Na het mislukte uitstapje naar de volwassenenliteratuur, heeft ze weer een puberboek geschreven, met meer rust en plezier dan ooit. „Zelf lees ik dat er wel in terug. Kapot is mooier en genuanceerder geschreven.” Het onderwerp is weer typisch Slee: broer en zus zitten samen in een bandje. Hun ouders ruziën en drijven daarmee een wig tussen broer en zus. „Zo gaat het vaak. Kinderen worden gedwongen partij te kiezen.” Zij koos vroeger partij voor haar moeder. Twee keer stapte haar vader op en kwam weer thuis. Pas de derde keer was de scheiding definitief. „Mijn zusje koos voor mijn vader. Ik identificeerde me ook meer met hem, maar ik vond het zielig voor mijn moeder.” Haar moeder, huisvrouw, was manisch-depressief. „Meer depressief dan manisch.” Haar vader, eigenaar van kledingwinkel Slee-mode in Amsterdam, was een aimabele, maar dwingende man. „Tot in mijn pubertijd behandelde hij me als een jongen.” Zij was de zoon die hij nooit kreeg.

Niet eerder hebben lezers zo lang moeten wachten op een nieuwe Carry Slee. „De verwachtingen zijn weer hoog.” De marketingmachine draait volop. Deze week beginnen de uitzendingen van Carry Slee-tv op internet. „Kinderen die Kapot al hebben gelezen, vertellen wat ze ervan vinden.” Er komen interviews met haar, met de acteurs uit de vorige Slee-films en met die uit de film die voorjaar 2016 in de bioscoop komt: Kappen. Deze zomer waren de castingdagen. Van de twaalfduizend kinderen die daarop afkwamen, hebben er een paar duizend auditie gedaan voor de vijf hoofdrollen. De opnames zijn in volle gang.

Carry Slee is weer thuis. <<

    • Rinskje Koelewijn