Het huis is leeg en de stal is leeg

Chris de Stoop keerde terug naar het land van zijn jeugd, de Hedwigepolder, en schreef een boek dat twijfelt tussen fictie en non-fictie. Niet de beschrijving van zijn eigen gevoelens, maar de woorden van zijn moeder maken het boerendenken en boerenleven invoelbaar.

Boeren en schrijvers verhouden zich moeizaam. Een boer runt een bedrijf, deint mee met de tijd, ziet het land veranderen als het weer. Een boer leeft, denkt en voelt als een boer, maar zoekt zelden woorden die zijn gevoel kunnen omvatten. Schrijvers hebben doorgaans afstand tot het dagelijkse boerenbestaan. Zij proberen wel dat gevoel te vangen en ze proberen de tijd stil te zetten, maar blijven vaak buitenstaander.

Toch kan de combinatie goed uitpakken. Amerikaanse literatuur die op het platteland speelt is vaak beter dan Amerikaanse literatuur die wortelt in de stad, en ook Nederland kent geslaagde polderliteratuur: de debuten Dorsvloer vol confetti van Franca Treur en Gerbrand Bakkers Boven is het stil waren regelrechte hits. Ook leent het veranderende dorpsbestaan zich goed voor non-fictie, bewees Geert Mak in Hoe God verdween uit Jorwerd.

In zekere zin is het platteland voor het moderne leespubliek een onontgonnen gebied, waar het Nederlandse platteland vaak nog wordt neergezet met het relatief onbekende decor, de folklore. Het verschil tussen fictie en non-fictie is in deze boeken vaag. Een roman met een boerendecor is voor veel lezers een non-fictie schets over het boerenleven. Agrarische non-fictie beschouwingen herbergen daarentegen persoonlijke verhalen die ook in een roman verpakt kunnen worden. In die samenkomst schuilt de kracht van plattelandsliteratuur, maar ook een gevaar.

Afstandelijke non-fictie kan ver af staan van het persoonlijke, maar tegelijkertijd werkt het persoonlijke in een boek alleen als het afstandelijk is opgeschreven. Een schrijfformule met ‘afstand’ als kernwoord geldt ook voor Dit is mijn hof van schrijver en boerenzoon Chris de Stoop.

Hij ging terug naar de boerderij in de Zeeuws-Vlaamse Hedwigepolder waar hij opgroeide. Eerst maakte de polder plaats voor havengebied en nu, in het kader van de natuurcompensatie, voor natuur.

Problematische ganzen

Een non-fictie verslag over de boerderij en de polder kan zonder persoonlijke invulling van de schrijver en wordt daar in de meeste gevallen sterker van. Dan is de omgeving de hoofdpersoon en een heldere keuze daarvoor dwingt de schrijver zijn eigen wissewasjes naar de achtergrond te drukken. Ondertussen zijn er de omgevingsanekdotes die verwerkt worden.

Die anekdotische non-fictie stukken zijn talrijk in Dit is mijn hof: over het stichten van de abdij van Zaligem in 1136 (tot drie keer toe wordt dit feit herhaald), over de bio-industrie, turfstekers, een wonderdokter in de 19de eeuw, een bom in 1945, verschillende overstromingen, het giftige Jacobskruiskruid, verdronken schapen, een demonstratie, de nieuwe milieuvergunning, de terugkeer van de boerenzwaluwen, de komst van de windmolens, het vangen van grauwe ganzen.

Woorden zien te vinden voor persoonlijke gevoelens is het grootste euvel van literaire non-fictie, zeker als boeren de hoofdpersonen zijn. Zo staat er bijvoorbeeld: ‘Terwijl we daar zitten, overmant me weer die weemoed die soms zo aan me blijft kleven.’ Dat zijn niet de woorden van een boer, hier is een schrijver aan het woord die met zijn gevoel in de knoop ligt.

Het probleem van de boerenzoon en de schrijver die strijden om voorrang in zo’n boek wordt goed zichtbaar wanneer De Stoop schrijft over de verdwijnende wereld uit zijn jeugd: De boerenzoon zegt: ‘Het huis is leeg, en de stal is leeg, en de wei is leeg.’ De schrijver voegt er zijn gevoelens aan toe. Zo pist de schrijver in de proloog in het hof omdat: ‘niets zo ontspannend is als tegen een boom of struik pissen, eikel in de wind, één met de natuur, vrij als een vogel.’

Het verwoorden van de gevoelens lijkt op zulke momenten een probleem. Strakker is wat de moeder erover zei toen De Stoop nog jong was en in de tuin piste: ‘De bloemen gaan ervan kapot.’

Dit is het verschil tussen een boerin en een schrijver. Die laatste heeft bijna vijf keer zo veel woorden nodig waarmee hij het gelukzalige ontspannen gevoel, het fysieke aspect, het buitenleven en de vrijheid probeert te omschrijven. Grote zaken, leven, gevoel. Het neigt naar literatuur, maar de woorden zijn vooral een invulling van wat De Stoop dacht te voelen. De lezer weet nu wat hij al pissende voelde, de lezer voelt het niet. Het boerendenken, boerenleven en boerengevoel wordt door zijn moeder beter invoelbaar.

De moeder van De Stoop is sowieso degene die dit boek draagt. Zijn moeder was ooit één met de boerderij en ligt nu in een ziekenhuisbed. Als De Stoop en zijn broer het over hun moeder hebben, dan leef ik wel mee. Dan voel ik wat deze jongens voelen, niet omdat het boerenbedrijf verandert, omdat er in hun persoonlijke leven is iets dat hen raakt. Dan wordt de broer kort van stof, kernachtig; ‘Ma is kapot.’ Deze woorden doen het boek – hoe tegenstrijdig ook – leven.

Pasgeboren kalf

Gerbrand Bakker opende Boven is het stil met ‘Ik heb vader naar boven gedaan’. De Stoop begint het eerste hoofdstuk met ‘Ik heb ma op het toilet gezet’. Goed afgekeken, of is dit een hommage?

In ieder geval leent de moeder zich voor een tweede Boven is het stil. De boerderij en de polder als een kapstok voor herinneringen aan ma. Hoe zij bijvoorbeeld een pasgeboren kalf droogwrijft, is prachtig.

Over het geheel genomen lijkt het alsof De Stoop niet goed kon kiezen tussen fictie en non-fictie. De herinneringen aan de boerderij en de hedendaagse familiescènes lezen als een roman. Een passage over de Spaanse troepen die lang geleden natte voeten kregen omdat de dijken werden doorgestoken als non-fictie. Die spagaat is soms soepel, soms iets te groot. Enerzijds zijn er pagina’s over natuurcompensatie, Europese vogel- en habitatrichtlijnen, een nooddecreet van de Vlaamse overheid en een man die het boegbeeld is van een natuurpuntclub. Anderzijds eist moeder De Stoop een glansrol op door over zilvermeeuwen te zeggen: ‘Daar zitten de doodsvogels weer.’ Zo’n zinnetje is goud.

Ook De Stoops broer vervult soms die rol. Als reactie op een betoog over de spanning rond de nieuwe natuur in deze polder verzucht hij tegen relatieve buitenstaander Chris: ‘Waarom wordt dáár geen boek over geschreven?’ Het is een vraag die in boerenfamilies vaak gesteld wordt, zeker als er een schrijver in de buurt is. De vraag betekent echter nog niet dat die schrijver zo’n boek moet gaan schrijven. In de vraag ligt besloten dat de boeren diep geraakt worden door de veranderingen, maar ook dat boeren het werkelijk diepe persoonlijke uit de weg gaan, en die worsteling is voelbaar in Dit is mijn hof.

De broer heeft ook een zieke moeder, maar zal hij ooit gezegd hebben: ‘Waarom wordt over háár geen boek over geschreven’?

    • Jan van Mersbergen