Is dit niet meer het Nederland van Hermans en Komrij?

Goed dat er reuring was over mijn stuk (Neem ze op en je krijgt die Arabische mentaliteit erbij, 8/9). Overigens heb ik eens eerder over Arabische hysterie geschreven en gezegd dat ik daar ook wel last van had vroeger. Hier plaatste ik het fenomeen in een Oud-Testamentaire context.

Ik ga mij niet verantwoorden. Maar één ding: als schrijver van fictie, als vertaler en als publicist weiger ik het woord ‘neger’ als pejoratief te zien. Het betekent ‘zwarte man’. Punt. Ik zou mezelf stilistisch verraden als ik het woord zou vervangen door het anglicisme, dat ook nog eens nietszeggend is, namelijk ‘mensen van kleur’. ‘Ik zag een mens van kleur bij een praatprogramma zitten.’

Is dit niet het Nederland meer van W.F. Hermans en Gerrit Komrij in zijn hoogtijdagen? Wat is het nut van polemiek als het niet pijn doet?

Hoe huichelachtig ben je, als je het erger vindt dat ik cynisch en spottend schrijf over een man die zich met zijn baby op een treinrails gooit dan over de daad zelf? En als je mannen hoont die hun vrouw verbieden maar een seconde hun hoofddoek af te leggen?

Het woord is blijkbaar erger dan de misdaad waartegen het strijdt. Nee, ik ga hierin niet, nooit mee.

Schrijver

Voorbeelden exemplarisch

NRC-lezers gaan tekeer tegen Hafid Bouazza die Nederland waarschuwt dat het met de vluchtelingen ook de ‘Arabische mentaliteit’ erbij krijgt. Ze vinden dat NRC met de publicatie van dit felle en soms schokkende stuk ‘de NRC-grens’ overschrijdt.

Ik moest toch denken aan twee berichten die ik eerder dit jaar elders las. In april was dat het verhaal van de rubberboot met ruim 100 vluchtelingen die van Libië naar Italië voer. Aan boord waren islamitische migranten, maar ook christenen, en de sfeer was om te snijden. Toen religieuze discussies ontstonden, gooiden 15 moslims 12 christenen overboord. Die zijn verdronken. Op 16 augustus publiceerde de Volkskrant het verhaal van de journalist Hassan, die undercover naar Calais ging en zich mengde onder de migranten die naar Engeland wilden. Hij leek een van hen en was deelgenoot van alle armoe, wanhoop, ellende in het kamp, totdat hij terloops vertelde dat hij ‘kafir’, dan wel afvallige is. De sfeer veranderde onmiddellijk. De Koerdische man die tot dan zijn vriend en mogelijke vluchtgenoot was, kwam voor hem staan schreeuwen, in het Arabisch. Zijn stem sloeg over, toen hij zei dat de Afghanen in het kamp hem zouden lynchen als ze horen dat hij de islam had verlaten. Ineens waren het leed, de armoe en de wanhoop vergeten.

Hafid Bouazza gaat scherp door de bocht, maar deze – door hem niet genoemde – voorbeelden kunnen ook de mensen niet ontkennen die tegen zijn stuk protesteren. Ze zouden wel eens exemplarisch kunnen zijn ‘voor die Arabische mentaliteit’. Misschien verdient Bouazza toch wat meer krediet voor zijn dapperheid.

Henk Slechte