Gefascineerd door wildere types dan zijzelf

Barbara Stroink (1940-2015) was lang een solide aanwezigheid aan de geldkant van de Nederlandse filmwereld. „Iemand die deugt”, schreef Theo van Gogh.

In de tijd dat de Nederlandse filmwereld werd gedomineerd door kleurrijke en laten we zeggen aanwezige mannen als Rob Houwer, Matthijs van Heijningen en Laurens Geels, was een frêle, bescheiden vrouw de stille kracht van het belangrijkste subsidiefonds. Met droge humor hield Barbara Stroink zich staande tussen de producenten die, zoals een fondsfunctionaris eens zei, „een romannetje bij ons door de bus gooiden en dan verwachtten dat we meteen acht ton voor ze zouden uittellen om het te verfilmen”.

Bij haar overlijden vorige maand, na een kort ziekbed, schreef het Nederlands Filmfonds: „Met haar bescheiden persoonlijkheid was Barbara vele jaren de gezichtsbepalende Nederlandse vertegenwoordiger bij het Europese coproductiefonds Eurimages. Haar inzet is van veel betekenis geweest voor de Nederlandse film.”

Bescheiden – dat woord valt in elk gesprek over Barbara Stroink. Bescheiden, beschaafd, aimabel. „Iemand die deugt”, schreef regisseur Theo van Gogh ooit. „Eigenlijk te chic voor de filmwereld”, zegt filmproducent Stienette Bosklopper – kwalificaties die misschien meer over de filmwereld van de jaren ’80 en ’90 zeggen dan over Stroink. Mensen die haar persoonlijk beter kenden, haar zuster Elisabeth Patijn-Stroink, haar vriendin Noor Vogel, noemen haar ironie. Haar onbevreesdheid. Haar fascinatie voor wildere types dan ze zelf was.

Barbara Stroink werd in 1940 geboren in Enschede. Haar vader had van zijn vader het bedrijf overgenomen en handelde in katoen. „Een jeugd zonder financiële zorgen”, zegt Elisabeth Patijn. Haar moeder had de Academie voor Lichamelijk Opvoeding gedaan, was gymlerares, en zat in de gemeenteraad voor de VVD – „toen die nog liberaal was”, zegt Patijn. Van hun moeder erfde Barbara Stroink de pit en de sportiviteit. Hun vader was belezen en beschaafd. Het gezin was open en vrijzinnig. „Er was geen enkele belemmering.”

Hoe Stroink in de filmwereld belandde, valt niet exact te reconstrueren. Het begon daar ver vandaan, met een studie sociale geografie in Utrecht en daarna een baan als adjunct- directeur bij de personeelsadministratie van de Vrije Universiteit Amsterdam. Daar kreeg ze gevoel voor de orde en precisie die bij administratief werk hoort.

In die tijd leerde filmmaker Herbert Curiël haar kennen in journalistencafé Scheltema, waar elke vrijdagmiddag de vrolijke bende uit de kunstenaarskolonie Ruigoord binnenviel. „Zeer alternatief”, zegt Curiël. „En Barbara verkeerde in die kringen.” Vriendin Noor Vogel wijst op het contrast: „Barbara met haar voorliefde voor bohémiens, ook in relaties, die zelf elke ochtend keurig op tijd naar haar werk fietste, met haar hond in het mandje voorop.”

In 1977 ging Stroink werken bij $corpio Films, met het dollarteken, van filmmakers Pim de la Parra en Wim Verstappen. De la Parra: „Een jaar na het faillissement van $corpio Films bv vertelde mijn curator, mr. Bitter, me dat hij altijd in mijn onschuld had geloofd, want: ‘Iemand die met zo’n lieve vrouw als Barbara Stroink samenwerkt, kan onmogelijk een boef zijn!’”

Daarna werkte ze bij tv-maker en uitvinder Gied Jaspars, die Nederland rijp wilde maken voor hologrammen en die rijk zou worden van de Rolykit, een oprolbaar laatjessysteem. „Barbara gaf al haar kennissen van die roldozen”, zegt Patijn.

Toen ze halverwege de jaren ’80 begon te werken bij het Productiefonds voor de Nederlandse Film was het monumentale pand aan de Jan Luykenstraat, in de schaduw van het Rijksmuseum, nog een tamelijk arrogant bolwerk, zegt Ryclef Rienstra, in de jaren ’90 directeur van het fonds. „Als je aanbelde, ging er een luikje open en vroeg de portier nog net niet: Wat moet dat? Barbara was er een straal zonlicht.”

Jarenlang hield ze de financiële soliditeit van de subsidieaanvragen scherp in het oog. Theo van Gogh schreef bij haar afscheid in 2001 een typerend stukje in het fondsblaadje. Typerend voor Stroink, die hij liefdevol („Bar, wie zal jou niet missen?”) uitluidde. Typerend voor de cultuur. En typerend voor hemzelf, die nooit de kans liet lopen om een beetje te treiteren. Hij memoreerde hoe Stroink eens een producent imiteerde die „maar vast is gaan draaien zonder de financiering geregeld te hebben” en vervolgens om een voorschot bedelde bij het filmfonds. „‘Anders ben ik binnenkort suppoost in het Stedelijk Museum’, zo deed Stroink de producent na. „Dat moet je dan maar worden, dacht ik, maar ik zei het niet”, zo citeerde Van Gogh Stroink.

„Ze was wel eens verontwaardigd over het air van sommige producenten”, zegt Rienstra. „Maar ik heb haar nooit zien stampvoeten.”

In Straatsburg moest ze zorgen dat Nederlandse filmprojecten van Eurimages Europees subsidiegeld kregen. Weer kwam ze in een „hanig gremium”, zegt Rienstra. Dit keer moest ze haar diplomatieke gaven aanspreken.

„Barbara is altijd met haar vriendinnen naar de film blijven gaan”, zegt Noor Vogel. Ze was dol op de artistieke film, waarvan er in Frankrijk, waar ze zes maanden per jaar woonde, altijd meer te zien zijn dan in Nederland. Eén hebbelijkheid had Stroink daarbij. Ze bleef steevast tot aan het eind van de titelrol in de zaal zitten. Om te zien of Eurimages erop stond.

    • Bas Blokker