Geen militaire actie in Syrië zonder geloofwaardig plan

De Syrische burgeroorlog, die al meer dan vier jaar duurt en meer dan 200.000 mensen het leven heeft gekost, staat in Europa opeens weer volop in de aandacht. We moeten ‘iets doen’, klinkt alom. Meedoen aan de bombardementen tegen de machtige terreurorganisatie Islamitische Staat in dat verscheurde land. Of veilige gebieden instellen op Syrisch grondgebied. Of allebei.

Het kan zijn dat compassie met de Syrische bevolking heeft bijgedragen aan dat plotselinge gevoel van urgentie en de roep dat het zo niet langer kan. Het kan zijn dat verontwaardiging over de bommen van Assad op woonwijken een rol heeft gespeeld, of verbijstering over gruwelijke executies door de beulen van IS.

Maar het lijkt erop dat toch vooral de ongerustheid over de grote aantallen vluchtelingen en migranten die naar Europa komen, voeding heeft gegeven aan de nieuwe Europese betrokkenheid bij de Syrische crisis. Zo kondigde de Franse president Hollande deze week aan dat zijn land verkenningsvluchten boven Syrië gaat uitvoeren, waarna mogelijk bombardementen zullen volgen – „om de oorzaken van de migratiecrisis” aan te pakken. Ook de Britse regering wil gaan bombarderen. In het Nederlandse parlement is er ook een meerderheid voor, maar het kabinet is verdeeld.

Maar of bombardementen de toestroom van migranten zullen verminderen, is sterk de vraag. De gevolgen van militaire interventies zijn vaak moeilijk te voorspellen, en soms zelfs volkomen tegengesteld aan de bedoelingen. Dat zou voorzichtig moeten maken bij de inzet van dit zware middel. De resultaten van de Amerikaanse bombardementen in Syrië zijn na een jaar op zijn best bescheiden. Ze hebben IS niet ernstig verzwakt. Laat staan dat ze de Syriërs ervan hebben overtuigd dat ze hun land niet hoeven te verlaten.

Luchtaanvallen zonder grondtroepen kunnen deze strijd niet beslechten. Maar onder westerse landen bestaat erg weinig animo om grondtroepen te sturen. En het is de Amerikanen ook niet gelukt om een Syrische groep te vinden die een militair effectieve en politiek acceptabele partner op de grond zou kunnen zijn in deze complexe oorlog. Dat maakt de hele strategie onduidelijk.

Het voorstel van CDA-leider Buma om op Syrisch grondgebied ‘veilige toevluchtsoorden’ in te stellen is mede daarom moeilijk serieus te nemen. Welke landen gaan de veiligheid van die gebieden garanderen? Welke landen kúnnen dat? Zou de NAVO zich willen wagen aan een nieuwe interventie in een islamitisch land, waarvan een deel dan bezet moet worden? Het zou dankbaar propagandamateriaal opleveren voor IS. Het zou de NAVO in een nieuw ongewis avontuur storten. En of de Syrische bevolking gebaat zou zijn bij opvang ergens in het oorlogsgebied, kan ernstig worden betwijfeld.

Ondertussen is Rusland, steunpilaar van president Assad, bezig zijn militaire aanwezigheid in Syrië te versterken. Wat Moskou daarmee beoogt, is niet duidelijk. Is het een poging de in het nauw gedreven Assad effectiever te steunen? Of maken de Russen zich op om na zijn val hun invloed in Syrië te behouden? De Verenigde Staten hebben meteen afwijzend gereageerd, ook al zien de Amerikanen en de Russen IS allebei als een ernstige bedreiging.

Beter dan weer militaire initiatieven te ontplooien zou het zijn als de grootmachten een nieuwe poging deden met alle regionale spelers een politieke uitweg te vinden uit deze slepende oorlog. Militaire operaties zouden onderdeel van een politiek plan kunnen zijn, maar niet ontketend moeten worden zonder dat er een geloofwaardige politieke strategie aan ten grondslag ligt.