Even een outsider zijn

De succesvolle Belgische kunstenaar Rinus Van de Velde tekent zichzelf als tennisheld, schaakgrootmeester of beroemd schilder. „De getekende Rinus doet dingen die de echte nooit zou durven.”

Een dakloze graffitikunstenaar die met rauwe, obsessieve schilderijen in korte tijd uitgroeit tot de lieveling van de New Yorkse kunstwereld. Op zijn zestiende zag Rinus Van de Velde (Leuven, 1983) Basquiat, de speelfilm over de vuurpijlloopbaan van Jean-Michel Basquiat, het Amerikaanse wonderkind dat op zijn 27ste aan een overdosis overleed.

De vrijheid van zo’n kunstenaarsleven vol seks, drugs en rock-’n-roll, daar droomde de jonge Vlaming van. Eén probleem: was zijn bestaan niet mijlenver van dat van Basquiat verwijderd? Hij kwam uit een veel te gelukkig gezin, was bang voor hard drugs en verkeerde nog niet eens in de buurt van de jetset.

Hij ging de schilderijen van Basquiat natekenen – met hard werken en veel studeren krijg je immers iets onder de knie. Zestien jaar later, constateert Van de Velde laconiek, kruipt hij nog altijd in de huid van anderen. In zijn tekeningen verbeeldt hij zich Philip Guston te zijn, of een andere kunstenaar die hem intrigeert. Hij tekent zichzelf bijvoorbeeld als de jonge Ellsworth Kelly die in zijn atelier bezig is met een van zijn befaamde plantenstudies. Met een lach: „Misschien wantrouw ik mezelf nog altijd en vind ik het niet interessant genoeg om over mezelf te vertellen.”

De ster van Rinus Van de Velde is de afgelopen jaren bijna net zo snel gestegen als destijds die van Basquiat. Verzamelaars staan in de rij voor zijn werk, er is net een kloeke monografie verschenen en de galerie- en museumtentoonstellingen rijgen zich aaneen. Komend voorjaar bijvoorbeeld in het S.M.A.K. in Gent, en daarna volgt een expositie in het Haags Gemeentemuseum. Van de Velde is ook uitgegroeid tot een BV’er, een Bekende Vlaming, die soms in talkshows verschijnt en vanwege zijn markante uiterlijk gevraagd wordt voor modereportages.

De verbeelding is aan de macht bij Van de Velde. Zijn grote houtskooltekeningen zijn altijd verbeeldingen van een fictieve werkelijkheid, steeds met de kunstenaar zelf in de hoofdrol en bijna altijd gesitueerd in zijn atelier. Vanwege het verhalende karakter zijn ze ‘one shot movies’ genoemd. Van de Velde tekent zichzelf bijvoorbeeld als een tennisheld die à la Boris Becker een duikvolley oefent, niet op de tennisbaan, maar zwevend boven een matras op zijn houten ateliervloer. In de tekeningenserie The Islander spoelt hij als drenkeling aan op een onbewoond eiland, dat in zijn studio ligt. In dat kunstmatige isolement beleeft de kunstenaar hallucinerende avonturen: hij trotseert een storm (veroorzaakt door een assistent die met een tuinslang in de weer is), kweekt een woeste baard, enzovoorts.

Hoe komen deze tekeningen tot stand? Waarom staan er zulke lange teksten op? En wat beoogt de kunstenaar met zijn werk? In zijn werkplaats in Antwerpen, een voormalige glastegelfabriek, geeft Van de Velde tekst en uitleg.

De kunstenaar zit achter zijn pc. Het live verslag van een tennispartij van Roger Federer klikt hij weg. Om hem heen staan vijftien grote doeken, bestemd voor een tentoonstelling bij Tim Van Laere, zijn vaste galeriehouder in Antwerpen.

Pronkstuk is een reuzentekening van een propvol beeldhouwersatelier. Omringd door twintig monsterachtige bustes is de kunstenaar – Van de Velde zelf – veranderd in een kleibeeld. Met pastelkrijtjes van het Franse merk Sennelier, zijn ‘houtskool’, heeft hij deze voorstelling in een twee dagen durende roes net op doek gezet.

Aan dat tekenen gaat een tijdrovend proces vooraf, legt Van de Velde uit, als hij het eerste schetsje van de atelierscène laat zien. Zo spectaculair als het eindresultaat is, zo ontnuchterend is het vertrekpunt. Een paar krabbeltjes met daaromheen enkele notities: „Kleikoppen zoals Ruby Neri (de Amerikaanse beeldhouwer, red.). Veel. Sokkels. Studio vol. En één grote.”

Zo begint elk werk, zegt de kunstenaar: „Met een visueel idee.” Deze tekening stoelt op zijn bewondering voor zogeheten outsiders, de meestal autodidactische kunstenaars die de conventies van de kunstwereld negeren en gedreven door hun obsessies (en soms ook psychische stoornissen) een eigen vormtaal en thematiek kiezen.

Van de Velde: „Zo zou ik ook willen zijn. Maar als je dat denkt, kan je al geen outsider meer zijn. Dat is een paradox. Wat natuurlijk wel kan, is efkes spelen dat je een outsider bent.”

Hoe je dat doet? Op basis van zijn schets heeft zijn vaste decorbouwer Maarten het atelier van een outsider beeldhouwer gemaakt. Samen hebben ze beelden gekleid, net zolang tot het atelier mudvol stond.

Na drie weken arbeid was het atelier zoals Van de Velde het zich had voorgesteld en belde hij met zijn vaste fotograaf, die ook Maarten heet. Die Maarten deed wat hij altijd doet: het decor uitlichten, de kunstenaar plaats laten nemen in zijn fictieve werkelijkheid, en „foto’s trekken”, net zo lang tot ze gezamenlijk vaststellen: Ja, dit is hem.

Een dag na de fotosessie, vertelt Van de Velde, is zijn assistent begonnen aan een nieuw decor. De twintig kleikoppen hebben ze in een hoek van de studio gesmeten. Daar liggen ze nog steeds: een vormeloze berg, toegedekt met een zeiltje.

Uitverkoren foto’s zet Van de Velde om naar zwart-wit en dan laat hij een doek op het gewenste formaat bezorgen, dat hij met drie lagen pleister prepareert. Met behulp van een projector brengt hij de contouren van de voorstelling op het doek aan. Op basis van die hulplijnen maakt hij daarna zijn houtskooltekening. Aan het eind van een werkdag ziet hij soms zo zwart als een mijnwerker.

Schrijver Koen Sels is de laatste schakel in het ontstaansproces. Op basis van een gesprek met Van de Velde maakt hij de Engelstalige teksten die de kunstenaar in blokletters onder zijn tekeningen noteert.

Is het niet omslachtig: een decor bouwen om een tekening te maken?

„Vraag mij nu een paard te tekenen en je krijgt iets wat op een hond lijkt. Ik denk dat maar heel weinig tekenaars zo’n atelierscène uit het hoofd kunnen tekenen. Deze werkwijze is mijn conceptuele uitgangspunt geworden. Waarom ik de foto’s niet exposeer? Tekeningen hebben een veel fictiever karakter. Al wil ik dat mijn tekeningen een zekere fotografische kwaliteit hebben. Dat dat outsideratelier echt gebouwd is, en dat ik er echt in heb gezeten, geeft ook een andere kijkervaring dan een gefantaseerde tekening.”

Het maakproces is bij u echt een groepsproces.

„Het beeld van de solitaire kunstenaar, de geniale eenling, dat is romantische onzin. Vroeger, toen ik nog alleen werkte, kostte het me moeite om me te blijven concentreren en leed ik aan tunnelvisie. Daar heb ik nu geen last meer van. Of ik de regie heb? Zeker. Maar de vrijheid van de Maartens en Koen daagt mij zeker uit.”

Waarom tekent u altijd uzelf?

„Omdat ik altijd beschikbaar ben. Ik vind het niet zo leuk om naar buiten te gaan en verre landen te bereizen. In mijn atelier kan ik van karton gewoon een jungle nabouwen. In het verleden heb ik wel met figuranten gewerkt en ook op locatie. Allemaal gedoe. Als ik voor een tekening bijvoorbeeld vuur nodig heb, kan dat zonder problemen in mijn studio. En tegen een vriend kan ik bij het fotograferen makkelijker zeggen: ‘Kijk eens wat minder stom’.”

Lijkt de getekende Rinus Van de Velde op de echte?

„De getekende Rinus doet dingen die de echte nooit zou durven. Heel banaal: ik heb angst voor slangen. Mij zie je dus niet in een echte jungle. En op een onbewoond eiland zou ik gek worden van eenzaamheid. Maar ik durf het mij wel in te beelden. Anderzijds zijn het wel mijn angsten en verlangens.

„Met mijn fictieve leven ben ik zoveel bezig, dat dat in zekere zin mijn echte leven is geworden. Die ik-figuur op de tekeningen is voor mij een personage. Ik kan ook over hem praten alsof ik het niet zelf ben. Echte zelfportretten zijn het dus niet.”

Waarom staan er zulke lange teksten op de tekeningen?

„Ik weet waarover het gaat en dat verhaal wil ik aan de kijker meegeven. Kunstwerken die ‘Untitled’ heten en musea zonder tekstbordjes vind ik vaak verdacht. Zo van: dit is het werk en het is aan jullie om er iets uit te halen. Mysterie om het mysterie, daar kan ik niet goed tegen.

„Misschien doe ik het trouwens ook wel voor mezelf. Die gesprekken met Koen, en ook zijn schrijverstalent, helpen me om mijn werk scherp te krijgen.”

Wat dragen die teksten dan bij?

„Zonder toelichting kan je denken: ‘Virtuoos getekend.’ Of: ‘Surreëel filmisch beeld.’ Ik hoop dat kijkers door de teksten getriggerd raken. Dat ze enige moeite willen doen een artikel of catalogustekst te lezen en beseffen dat voor deze tekeningen decors zijn gebouwd en dat het een fictief verhaal is, een soort autobiografie over een leven dat ik nooit heb gehad, een leugen. Met die kennis komen in mijn werk allerlei andere dingen tevoorschijn die naar mijn idee interessanter zijn dan de notie ‘virtuoos getekend’. Bij hedendaagse kunst moet je soms meer weten om dieper te geraken.”

Waarom tekent u alleen in zwart-wit?

„Het meest voor de hand liggende antwoord is dat ik me door die beperking supergoed kan concentreren en me niet hoef bezig te houden met vragen als: ‘Gebruik ik nu wel het goede blauw?’ Die snelheid geeft ook energie aan het werk en zorgt ervoor dat ik grote tentoonstellingen kan maken.

„Altijd dat zwart-wit en altijd dat concept van mij, is heel dwingend. Om me te ontspannen teken ik daarom ’s avonds, als het atelier verder leeg is, in kleur. Soms probeer ik ook te schilderen, al valt dat nog veel harder, dat gedoe met die kwasten, die je weer moet uitspoelen.”

Het klinkt alsof u altijd aan het werk bent.

„Van tien uur ’s ochtends tot een uur of zeven, acht ’s avonds werk ik samen met Maarten. Dan gaan we eten, altijd in hetzelfde restaurant. Even het atelier uit. En even de verhalen van anderen horen, zodat het niet altijd over mij gaat. Daarna ga ik in mijn eentje terug naar het atelier. En dat zeven dagen in de week. Heel strak, altijd hetzelfde.”

Kennis van de biografie van een kunstenaar helpt om zijn werk te begrijpen, zegt Van de Velde. „Toen mijn galeriehouder Tim Van Laere de Oostenrijkse kunstenaar Franz West voor het eerst ontmoette, zei West: „Let’s get out and go eat cheese in the mountains”. Dan weet je wat voor persoonlijkheid West was.”

Wat is een anekdote die Rinus Van de Velde typeert? Galeriehouder en vriend Tim Van Laere geeft het antwoord. Hij noemt Van de Velde een van de meest gepassioneerde en gedreven kunstenaars die hij kent. „Rinus had een pingpongtafel gekocht en daagde me uit voor een match. Als ik zou winnen kreeg ik een tekening van hem. Mijn inzet moest een schilderij van Armen Eloyan zijn waar hij gek op was. ‘Begin maar vast te tekenen’, zei ik, ‘want je maakt geen schijn van kans’. Rinus wist dat ik professioneel tennis heb gespeeld toen ik in Amerika studeerde. Ik vertelde hem dat ik daar toen ook veel gepingpongd heb, en dat het spel echt a walk in the park voor me is. Ieder ander zou ontmoedigd zijn, maar niet Rinus. Hij kocht een ballenmachine van 1.500 euro. Daar stond hij elke dag uren tegen te spelen. Na drie maanden dacht hij een goede kans te maken om me te verslaan.”

En? Van Laere met een grijns: „Ik heb Rinus genadeloos verslagen.”

In Nederland wordt Rinus Van de Velde vertegenwoordigd door galerie tegenboschvanvreden in Amsterdam. In januari is er een tentoonstelling: tegenboschvanvreden.com

De monografie Rinus Van de Velde is verschenen bij uitgeverij Hannibal (144 blz, 39,95 euro).