Dwalen door een kosmisch web

Het heelal is zo verschrikkelijk groot dat ons eigen zonnestelsel (óók al onaards van afmeting) bijna huiselijk is. Ja, zelfs ons eigen sterrenstelsel is maar een stofje in de onafzienbare kosmische oceaan.

Wij mensen leven in een wereld van kilo’s en meters. We kunnen nauwelijks verder weg denken dan een paar kilometer. Het verbazingwekkende van de afgelopen honderd jaar is dat we überhaupt kennis kunnen vergaren over die extreme streken die ons ver boven de pet gaan. Een van de grote basiswetten van de wetenschap helpt daarbij: op aarde heersen dezelfde wetten als overal elders in het heelal (eh, behalve dan diep binnen een Zwart Gat, daarvan weten we niks). Dat besef van ‘zo beneden, zo boven’ was de schok die Galileo kreeg toen hij bergen op de maan zag en manen bij Jupiter. Dat was ook de vreugde van Newton toen hij besefte dat de kracht die een appel laat vallen dezelfde kracht is als die de maan om de aarde laat draaien.

Zo is het ook gegaan met de quasars, die bijna onbegrijpelijke felle lichten die ons verblinden vanuit verre sterrenstelsels. Ooit – in de jaren zestig – golden ze als ‘enorm exotisch fenomeen,’ zoals Eddy Echternach beschrijft in deze bijlage. Nu zijn deze enorme zwarte gaten met hun hete lichtgevende materieschijven redelijk doorgerekend en ontrafeld. En dankzij de quasars weten we nu ook weer meer over het kosmische web, dat complexe ruimtelijk patroon van (dichte) ‘filamenten’ en (minder dichte) ‘wanden’ die zich uitstrekken over honderden miljoenen lichtjaren en zijn omgeven door kolossale leegten, waar bijna geen materie te vinden is.

In Echternachs quasarstuk staat één zin die de enorme pretentie van de moderne wetenschap het krachtigst duidelijk maakt. Het is bijna een droevig gedicht:

De afgelopen tien à elf miljard jaar is de quasardichtheid in het heelal – het aantal quasars per triljard kubieke lichtjaar – met ongeveer een factor veertig afgenomen.

    • Hendrik Spiering