Drinkbaar water uit blad, ketel, pis en vis

Een plastic zak rond levend blad levert drinkwater, als de zon er flink op staat te branden.

Een oude belofte eindelijk ingelost. In april 2001, toen hier voor het eerst werd gehoond op al die survivalgidsen die zo populair zijn, de SAS Survival Guide voorop, in april 2001 is aangekondigd dat het AW-team binnenkort een trucje hoopte te bevestigen dat wèl werkte. De meeste adviezen, proefjes en trucjes uit de SAS Survival Guide werken voor geen meter maar er was er één die het proberen waard leek.

Als je als in nood verkerende survivelaar in lommerrijke omgeving zonder water komt te zitten – er is niets meer, geen drop, al dagen niet – maar je hebt wèl een flinke plastic zak in je rugzak en ook een koord om die zak dicht te binden, dan zou je kunnen proberen het water te verzamelen dat het gebladerte verdampt. Dat zei de SAS Survival Guide en een ruwe berekening leerde dat het wel eens waar kon zijn. Een beker per etmaal leek haalbaar. Maar het bewijs bleef uit.

Deze zomer is in Zuid-Frankrijk eindelijk de proef op de som genomen. De zon scheen, de luchttemperatuur liep op tot 35 graden en de naaste omgeving stond vol parasol- en olijfbomen. In de bagage zaten transparante plastic zakken van Albert Heijn, 50 bij 70 cm, en voor de sluiting was er een gymschoenveter. De foto toont de etmaalproductie van een parasolboomtak. Het leek eerst niet veel te worden, er ontstonden wat condensdruppels, meer niet, maar dat veranderde subiet toen de zak in de volle zon raakte. De binnentemperatuur steeg tot wel 45 graden en kennelijk is dat de crux die de SAS Survival Guide ontging. Het vocht wordt eruit gestoofd. Na afloop zagen de bladeren er dan ook bepaald ontdaan uit. Maar er wàs een halve beker fris water. Ook de olijftak perste een kopje tevoorschijn.

En er is meer succes te melden. In het hoofdstuk over nijpend watergebrek geeft SAS-intructor John Wiseman de aspirant overlever aanwijzingen voor de zuivering van vuil water door middel van destillatie. Steek een buis of slang door de deksel van het vat waarin zich het vieze water bevindt, verhit dat vat op een vuur, en laat de waterdamp die aan het andere eind van de slang vrij komt condenseren in een afgesloten blikje dat in een waterbad koel wordt gehouden. Zo is zelfs van zeewater en urine weer drinkwater te maken.

Van AW-wege is deze opzet in december 2007 nagebootst met een fluitketel die zijn fluitgat kreeg afgesloten door een doorboorde kurk waarin een aquariumslang stak. De ketel werd op een gasfornuis fors aan de kook gebracht, maar uit het slang-eind twee meter verderop ontsnapte slechts hete damp die in het opvangglas nauwelijks condenseren wilde. De koeling schiet tekort, was de conclusie.

Afgelopen week is de proef herhaald met dezelfde fluitketel en hetzelfde fornuis maar een andere slang: langer en breder. De ‘Polyform’-slang had een lengte van 4 meter en een binnendiameter van 5 mm. Hij liep, hier en daar door tape of touw omhoog gehouden, schuin naar beneden naar een metalen kampeerketeltje op de vloer. Een koelend waterbad ontbrak, de luchttemperatuur was 18 graden. Het losse deksel van het keteltje stond schuin op een kier zodat condenswater moeiteloos terugdruppelde de ketel in.

En verdoemd: nu werkte het. Uit 250 ml leidingwater ontstond 185 ml destillaat, een opbrengst van 75 procent. De fluitketel stond op een uiterst laag pitje, het destilleren van die 250 ml duurde een vol uur, dat heeft zeker geholpen. Ook kreeg de koeling van de damp extra tijd doordat zich hier en daar in de lussen van de slang water ophoopte. De slang ledigde zich met tussenpozen in een intermitterend proces. Ten slotte kon het metalen keteltje zijn warmte ook beter kwijt dan destijds het glazen glas.

Maar was het makeshift destillatieapparaat ook praktisch bruikbaar? Zeker. Binnen een uur werd uit een glas namaakzeewater een glas drinkwater bereid dat in niets voor gewoon drinkwater onderdeed, de temperatuur daargelaten.

De urine bleek andere koek. Urine die aan de kook raakt schuimt als een ouderwets wasmiddel, het kan een onderzoeker zomaar overvallen. De urine uit de fluitketel drong van de weeromstuit ook onverdampt de afvoerslang in en bedierf er het destillaat dat misschien wel heel zuiver was. In het keteltje op de vloer verzamelde zich een bedenkelijke vloeistof die een survivelaar weinig hoop zou bieden. Je vraagt je af hoe dat met het water van SAS-instructor Wiseman ging.

En zou die zelf wel eens zoet water uit zeevis gewonnen hebben? Zijn gids zegt dat het kàn: alle vissen bevatten drinkbaar water, elke grote zeevis heeft langs zijn ruggengraat een reservoir zoet water, je hoeft het dier maar open te snijden om het goedje te oogsten. En mocht dat niet lukken dan is er altijd nog drinkbaar weefselvocht uit de vis of het visvlees te knijpen met een vruchtenpers. Geen zeeman hoeft zonder zoet water te zitten.

Maar in de zeebaars die afgelopen donderdag voor 6 euro te koop bleek op de Amsterdamse Albert Cuyp-markt was het waterreservoir niet te vinden. Niet bij de ruggengraat en niet verderop. Toen bij het verder speuren onverhoeds de ingewanden werden geraakt is van het alternatieve knijp- en perswerk afgezien. Deze zaak is dus nog onbeslist. Hoewel: „Ik heb nog nooit van een waterreservoir bij grote vis gehoord”, zegt de geraadpleegde visserijbioloog Niels Daan. „Misschien zien ze de zwemblaas ervoor aan? Ik zou liever de hele vis opeten om mijn watervoorraad aan te vullen dan om te gaan persen.”