De laatste mannenauto’s

De moderne auto is een allemansvriend. Het avontuur dat autorijden was, staat op het spel. Bas van Putten test vier ruwe bolsters.

Het oordeel van ‘de doelgroep’ („jongens die huizen bouwen en op trekkers rijden”) over de Volkswagen Amarok: „Dit werkpaard mist taaiheid.” Foto Sake Elzinga

Je hoogste snelheid tot nu toe?”, vraagt instructeur Dolf Dekking. 311, zeg ik. Goede kans dat je dat record vandaag gaat breken, zegt hij met een blik naar buiten, waar het weer goed en de weg droog is. Ik stap vandaag met Dekking als leermees- ter en waakhond naast me in de specta- culairste Porsche op de markt. De in een oplage van 918 exemplaren (haha!) gebouwde 918 Spyder was binnen enkele maanden uitverkocht, acht ton het stuk. Wat wil een mens ook meer dan een plug-in hybride supercar met twee elektromotoren en een voor de achteras geplaatste lichtgewicht V8. Vermogen (887 pk) en koppel (1.280 Nm), topsnelheid (345) en acceleratie (van 0-100 in 2,9 seconden) declasseren alle piekmomenten op mijn sportwagen-cv. Een jongensboek. Maar bestaan wonderen nog? De gebonden Porsche-brochure stelt de vraag aller vragen: „Kunnen we eigenlijk nog worden verrast?” Het antwoord komt als Dekking, die het eerste stuk rijdt, het gaspedaal vol intrapt: Ik zie sterren. De g-krachten waaraan de Porsche inzittenden blootstelt, zijn verbijsterend. De g-meter slaat bij maximaal versnellen uit naar 1,1 g. Voetnoot: dat is niet normaal.

Zijn bijna letterlijk ondraaglijke, obsederende kracht maakt dat je in de 918 continu onder hoogspanning rijdt. Dankzij de overweldigende wegligging reik je ver voorbij de grenzen van je kunnen en ook dan kom je als doorsneeman niet in de buurt van zijn limiet. De absurde trekkracht sleurt je als een drukgolf voorwaarts. Hij is monstrueus. Op de Autobahn haal ik 330, schande.

Verdoofd en diep gelukkig stap ik uit. Eindelijk weer een sportwagen die je kunnen en je voorstellingsvermogen op de proef stelt, de hardgekookte mannenauto die zo schaars wordt. Het nieuwe autorijden is voor watjes: sterieler, comfortabeler, beheersbaarder en laagdrempeliger dan ooit. Hoewel er nog steeds Lamborghini’s en Ferrari’s rondrijden waarmee je overmoedige beginners liever niet op pad stuurt, kan iemand met een modale rijbeheersing nu toeren uithalen waarvoor coureurs van vijftig jaar geleden nog hun leven in de waagschaal stelden. De industrie bedient de metromens van tegenwoordig op zijn wenken met razendsnel schakelende automaten, vierwielaandrijving en een scala aan veiligheidsvoorzieningen die stuur- en inschattingsfouten bedekken met de elektronische mantel der liefde.

Daar mag je twee dingen van vinden. Ten eerste dat de auto beter en veiliger wordt, wat een goed ding is. Ten tweede dat, als onvermijdelijke consequentie van de technische vooruitgang, autorijden aan spanning en gevaar heeft ingeboet, terwijl je meer met die machines kunt dan ooit.

Die tegenstrijdigheid manifesteert zich het sterkst in de beide autogenres waarin het van oudsher op de rijvaardigheid van de bestuurder aankwam: sport- en terreinwagens. Ze zijn er nog, de terreinbeulen waarvoor geen berg te hoog en geen plas te diep gaat, maar de bestuurder kan zijn laarzen thuislaten. De kunst van de ouderwetse terreinrijder om zijn analoge 4x4 door de modder te loodsen, is verslagen door techniek die het ego van de amateur voedt met de ijdele illusie dat hij op circuits en in de modder echt zijn man staat. Zelfs dat Porsche-geluk van mij was narcistische fictie, het pronken met andermans veren dat ik eerder mocht beleven toen ik zonder enige terreinervaring met de flair van de beroepsavonturier een achtcilinder Range Rover door de Marokkaanse woestijn sleurde. Kortom, het avontuur dat autorijden was, staat op het spel. Is er een weg terug? Ja, voor wie bereid is de vooruitgang af te zweren.

Land Rover Defender: gruwelijk primitief

Je kunt een Land Rover Defender kopen, sinds 1948 in productie, sindsdien niet wezenlijk veranderd. Een gruwelijk primitieve auto. Hij zit waardeloos, maakt herrie, stuurt en schakelt zwaar, hij is te langzaam voor de snelweg, op zandpaden schud je je auto uit.

Daar staat, naast zijn beroemde terreinvaardigheid, iets tegenover. Je bestuurt historisch erfgoed met de inspanning die we het zweet des aanschijns noemen. Dit is nog spierslopend contact met echt gereedschap. Dichter bij elkaar kun je als bestuurder en machine nauwelijks komen.

Maar zijn dagen zijn geteld; dit jaar wordt de Defender afgelost door een opvolger. Die zal beter rijden, minder oorverdovend ratelen en degelijk vijf sterren halen in de crashtest. Weer een karakter minder en er is geen alternatief. Zijn laatste geestverwanten zijn te aangepast en te verweekt om de verweesde sadomasochistische geluksgevoelens te bevredigen.

Volkswagen Amarok: schaap in wolfskleren

Ik probeerde de Volkswagen Amarok, de vierwielaangedreven pick-up voor de man die sjouwend en bouwend door het leven gaat. Hij ziet er grandioos wild uit met zijn pitbullneus en de verchroomde bullbar die als een doel boven de met traanplaat afgewerkte kuip uitsteekt. Toch is het een schaap in wolfskleren. Hij heeft een achttraps-automaat die zacht maar zeker voor je schakelt, leren bekleding, stoelverwarming en navigatie. Hij rijdt verdacht normaal, als een personenwagen.

Ik dender met vijftig over een zandpad, beklim wat heuveltjes, neem een modderbad dat hem niet van zijn stuk brengt. Hij beheerst zijn vak, maar ik val net niet in zijn groef. Ter controle geef ik drie mannen uit het dorp een lift, jongens die zelf huizen bouwen en op trekkers rijden – noem ze de doelgroep. Hun bevindingen zijn gelijkluidend. Dit werkpaard mist de taaiheid die we zochten. Die ervaring had ik eerder met de Landcruiser 3.0 D4D, op de Defender na de enige die met zijn grove viercilinder turbodiesel nog iets laat proeven van het offroad-oergevoel. Ook bij Toyota rukken leer, navigatie, stads comfort en elektronische terreinassistenten op. Wederom voelde ik me de aangever van een techniek die mijn beperkte offroad-kunsten ver te boven ging, en die me onverdiend beschermde tegen mijn onvermogen.

Morgan 4/4: alles zelf doen

Geef ons de ruwe bolsters terug, dacht ik, waarna ik snikkend overstapte in de laatste nog actieve dino uit de oertijd van het rauwe, onbespoten rijden: de Morgan 4/4. Spartaanse sportwagens als deze zijn praktisch uitgestorven na de teloorgang van het Britse TVR en het Duitse Wiesmann; in Nederland houdt alleen de held Joop Donkervoort met onbesuisde, razendsnelle tweezitters de fakkel brandende. Maar deze Morgan is het oerst. Hij is de Land Rover Defender onder de Britse roadsters, een open sportwagen die in zestig jaar niets is veranderd. Hij heeft prehistorische bladveren en trommelremmen achter, een starre achteras, achterwielaandrijving, geen ABS, geen stuurbekrachtiging. Elektronische stabiliteitssystemen? Vergeet het. In onbekwaam genomen bochten, hang je.

Hartje winter rijd ik open in de laatste mannenauto van de wereld. Ik dank de voorzienigheid dat de importeur me een 4/4 met de los monteerbare noodzijraampjes heeft meegegeven, waardoor ik nog enigszins uit de wind blijf. Brak geslagen door het martelharde onderstel, met het houten stuur tegen mijn buik en mijn opgetrokken linkerknie tegen de verlichtingsstengel op de stuurkolom, sjor ik de lange donkerblauwe Morgan-neus van nergens naar nergens, zwaar sturend en schakelend in de gore wolk van geluid die zich met het kleine versnellingspookje en het diep in de voetenruimte weggestopte gaspedaal in alle toonaarden laat moduleren. Zo moet autorijden zijn. Alles, alles doe ik zelf, en elke stommiteit is voor mijn rekening. Hier ontstaat een band die van het lichaam rechtstreeks naar de ziel voert. Als we die eenvoud niet snel terugvinden, weet straks niemand meer wat autorijden inhield. Ondanks de Porsche, die alle menselijke maat te boven gaat.

    • Bas van Putten