De geklede muze

Ontwerpers maken hun kleren vaak met één vrouw in gedachte: hun muze. Maar de modegodinnen hebben hun onschuld verloren. Kim Kardashian is Audrey Hepburn niet.

Van de actrice die hem die middag in 1953 zou bezoeken, had Hubert de Givenchy alleen de achternaam gehoord. Hij ging er daarom vanuit dat stijlicoon Katharine Hepburn in zijn atelier zou langskomen. In plaats daarvan meldde zich de veel minder beroemde en veel jongere Audrey Hepburn, die kleding zocht voor haar rol als prinses Ann in Roman Holiday. Een fragiel, voor die tijd lang meisje met kort haar, in een driekwartbroek en op flatjes. Wat was er gebeurd als het toch Katharine was geweest, vroeg een journalist vorig jaar aan de inmiddels 88-jarige De Givenchy. „Dan had ik in mijn carrière niet dezelfde dingen gemaakt”, antwoordde de couturier.

Als er een schoolvoorbeeld is van de klassieke modemuze, dan is het Audrey Hepburn. Zowel zij als De Givenchy stonden op het moment van hun ontmoeting aan het begin van hun carrière. Zij, een van die zeldzame actrices uit die tijd die hield van een sobere stijl, vond bij hem meteen de kleding die ze zocht. Hij ontwierp niet alleen al haar filmkostuums, hij vond in haar ook de ideale Givenchy-vrouw, inspirerend genoeg voor een tientallen jaren durende vriendschap en een volgens De Givenchy „steeds diepere creatieve uitwisseling”.

Net als de muze in de beeldende kunst is de modemuze vaak een stimulans om iets te maken en vertegenwoordigt zij een persoonlijk schoonheidsideaal. Maar de relatie heeft veel minder vaak een erotisch karakter dan in de beeldende kunst; de meeste mode is nog altijd damesmode, en de meeste damesmodeontwerpers zijn homoseksuele mannen en heteroseksuele vrouwen. De modemuze wordt aangekleed, niet uitgekleed.

Niet alleen drukt de modemuze haar stempel op het werk van de ontwerper, zij is ook vaak een uithangbord, en een voorbeeld voor miljoenen modeliefhebbers. Wie van Givenchy hield, wilde lijken op Audrey Hepburn. Wie op Audrey Hepburn wilde lijken, droeg de stijlvolle couture van De Givenchy, of iets dat er op leek. Wie hield van Yves Saint Laurent, spiegelde zich aan Loulou de la Falaise (het gezicht van zijn haute bohémienne-stijl), Betty Catroux (jongensachtig en wild), of Catherine Deneuve (Franse chic). Fans van Nicolas Ghesquière – vroeger de hoofdontwerper van Balenciaga, nu verantwoordelijk voor de damesmode van Louis Vuitton – weten dat niemand zijn kleren zo goed staan als Charlotte Gainsbourg, de zingende en acterende dochter van stijlicoon Jane Birkin en Serge Gainsbourg.

Gebaar

Dries Van Noten werkt nauw samen met het Nederlandse model Sylvia van der Klooster. Zij loopt in zijn shows, en is pasmodel in het atelier in Antwerpen. In haar vrije tijd draagt ze zijn ontwerpen met veel flair. In Nederland wordt haar rol met enige regelmaat omschreven als muze, al heeft zij het woord zelf nooit in de mond genomen.

Van Noten is dol op Van der Klooster, laat hij weten. Maar: „Als ontwerper heb ik het idee van de muze altijd afgewezen.” Van Noten laat zich voor zijn collecties steeds inspireren door andere vrouwen. Soms is een gebaar genoeg om hem op ideeën te brengen. „Het hebben van één muze kan het ontwerpproces in de weg zitten.”

Dat vrouwen – en mannen – zo gemakkelijk worden aangeduid als muze, komt doordat de muze past in een romantisch beeld over mode. Ontwerpen is hard en lang werken, en meestal komt er een heel team aan te pas – bijna gewoon werk dus. Het beeld van alleen de ontwerper met voor zich zijn uitverkorene heeft veel meer glamour. Hij drapeert een lap stof over haar heen, schikt en herschikt die. Kijk, hoe schoonheid zijn ideeën tot leven brengt!

Waarschijnlijk is dat ook de reden dat de favoriete modellen van Chanelontwerper en ‘modekeizer’ Karl Lagerfeld in bladen en op internet consequent muzen worden genoemd, al zijn het doorgaans muzen met een korte carrière. Een paar seizoenen zijn ze bij Chanel het middelpunt van de shows, poseren ze voor advertenties en de modeshoots die Lagerfeld voor tijdschriften maakt – hij is ook fotograaf – en vertelt hij in interviews hoe bijzonder ze zijn, tot het moment waarop zich de nieuwe ‘muze’ aandient. Modellen worden bij modehuizen natuurlijk voortdurend vervangen, maar het is het woord muze dat aan uitverkiezing en afwijzing een dramatische lading geeft.

Veel meer een echte muze is het Amerikaanse model Brad Kroenig, die al twaalf jaar deel uitmaakt van Lagerfelds entourage. Het 36-jarige Amerikaanse model heeft het soort krachtige kaaklijn en frisse, sportieve uitstraling dat je zelden nog ziet op de catwalk, maar hij loopt mee in bijna elke Chanelshow (bij vrouwenmerk Chanel zijn ook altijd een paar outfits voor mannen te zien). Hij staat in advertenties voor Chanel en Fendi, het andere huis waarvoor Lagerfeld werkt, en vergezelt de ontwerper naar feesten en op werkreisjes en gaat met hem op vakantie. Lagerfeld, die ook vier fotoboeken aan Kroenig wijdde, geeft hem in het vliegtuig de kleren die hij moet dragen. Romantisch is de relatie niet: Kroenig woont met vrouw en kinderen in New Jersey.

Van eloquentie moet Kroenig het niet hebben, zo bleek uit een profiel dat The New York Times begin dit jaar aan hem wijdde. „De modewereld is geweldig, iedereen is zo aardig”, was het interessantste dat uit zijn mond werd opgetekend. „Op een bepaalde manier – hoe zeg ik dat? – heeft hij de manieren van een jongetje of een kind”, zei Lagerfeld in hetzelfde artikel.

Een modemuze wordt zelden gewaardeerd om andere talenten dan stijl en uiterlijk. Sofia Coppola mag dan een beroemde filmregisseur zijn, voor ontwerper Marc Jacobs is ze „jong en lief en onschuldig en mooi”. „Het meisje waarover ik fantaseer.” „Op het simpelste niveau is een muze iets dat prettig is voor het oog”, zegt Amanda Harlech, een stijlvolle, mooie Britse vijftiger die vroeger moderedacteur was. Sinds 1996 wordt ze betaald om Lagerfelds muze te zijn, ze is zijn klankbord en inspiratiebron. Als ze in Parijs is, verblijft ze in een eigen suite in de Ritz, en ze mag twee haute couture-outfits per jaar uitzoeken. Zelf gebruikt ze liever niet het woord muze om haar positie te omschrijven: „Ik denk dat ik daar te amusing voor ben.” Ook Loulou de la Falaise, de inmiddels overleden muze van Yves Saint Laurent, had moeite met het woord. Zij was niet alleen inspiratiebron, maar ook accessoireontwerper. Het woord muze suggereert een passieve rol, vond zij. En zij werkte soms wel zeventien uur per dag.

Politiek spel

Een spontaan ontstane, pure verhouding als die van Hubert de Givenchy en Audrey Hepburn is tegenwoordig bijna ondenkbaar. Sterren kennen inmiddels hun waarde voor een modehuis, en anders hun agenten wel: een actrice draagt tegenwoordig zelden een jurk zonder dat daar een zakelijke onderhandeling aan vooraf is gegaan. Het kiezen van een jurk voor de Oscaruitreiking is een politiek spel geworden, en niet zelden krijgt een beroemdheid betaald voor de aanwezigheid bij een modeshow.

Andersom weet iedereen wat de steun van een modeontwerper kan doen voor een imago. Kim Kardashian gaat sinds vorig jaar door het leven als de muze van Riccardo Tisci, de huidige hoofdontwerper van het huis Givenchy, die haar „de Marilyn Monroe van deze tijd” noemt. Maar hij werd bepaald niet spontaan getroffen door haar persoonlijke stijl. Haar aanstaande echtgenoot Kanye West, een vriend van Tisci, had haar aan hem voorgesteld. De muzikant en de ontwerper maakten er een gezamenlijk project van om de realityster, die eruit zag als, nou ja, een realityster – te restylen en zo „te lanceren” in de mode-industrie, een wereld die West dolgraag wilde veroveren. Het project werd bekroond met een cover van de Amerikaanse Vogue, waarvoor Kardashian en West samen poseerden. „Nu wil iedere ontwerper haar kleden”, stelde Tisci daarna vast.

Kan een gecreëerde muze een ontwerper inspireren? De geheel transparante couturejurken die Tisci afgelopen juni showde, leken ontworpen te zijn met niemand anders in gedachten dan Kardashian, de muze met het minste mysterie uit de geschiedenis van de modemuze. Niet alleen loopt Keeping up with the Kardashians, de serie over haar familie, nog steeds, ze deelt haar hele hebben en houden met bijna 45 miljoen volgers op Instagram.

Het muzedom is in ontwikkeling, zou je kunnen zeggen. Maar een ding is onveranderd: een muze moet zijn of haar plaats kennen. Tijdens de show van Rick Owens’ mannencollectie voor voorjaar 2016, haalde het Duitse model Jera Diarc halverwege zijn rondje op de catwalk een spandoek tevoorschijn met de nogal cryptische boodschap „Please kill Angela Merkel. Not”. Even was er verwarring in de zaal: een jaar daarvoor had Owens zijn modellen jassen laten dragen die de geslachtsdelen helemaal bloot lieten. Was er sprake van weer zo’n stunt van de ontwerper? Nee, bleek later. Het was een eigen initiatief van Diarc, op dat moment al meer dan tien jaar de muze van Owens. De ontwerper viel ooit voor „zijn enorme allure, zijn David Bowie-achtige fragiliteit”.

Het verzoek van het huis Owens aan bladen en sites om de foto van Diarcs actie niet te gebruiken, haalde niets uit, Diarc broke the internet.

De liefde was in een keer over. Owens gaf hem backstage een harde stomp, zijn modellenbureau verwijderde hem uit het bestand. Sindsdien is niks meer van hem vernomen. Zonder de ontwerper is de muze niets.

    • Milou van Rossum