Café De Kat

Foto Annaleen Louwes

Ik zit binnen om het geluid van buiten te horen. Het geluid dat al zo lang als herinnering in mijn hoofd huist. Ik weet dat het weer zal komen, iedere zeven minuten.

Gerammel. Staal op staal.

Nu luister ik naar het zoemen van de stemmen van de stamgasten in het rechthoekige lokaal. Ik ben in café De Kat, in de Wolstraat in Antwerpen. Het is een bruine kroeg waarvan mensen beweren dat de tijd er heeft stil gestaan. Ik kijk langdurig naar de ronde klok boven de bar en zie de grote wijzer tergend langzaam omhoog kruipen. Naast de klok geven neonletters een tip: Drinkt De Koninck.

Madame zet het bolleke op mijn tafeltje. Ik laat de schuimkraag nog even onaangeroerd en kijk rond. Naast me leest een man met een artistieke bos grijs haar De Morgen, van achteren naar voren. Waarom ook niet? Ik ben ook aan het terugbladeren, in mijn leven: dertig jaar geleden nam ik in dit café het leven door met een stel vrienden. De gesprekken zijn vervlogen als ether, maar dat geluid – het moet toch zo gaan komen – is tussen mijn oren gebleven.

Er stapt een vrouw binnen. Ze staat midden op de vloer en laat zich bekijken. Haar grootste zorg is haar natte, rode paraplu. Het ding moet nog dicht. Ze prutst aan het stangetje. De gespannen stof zakt in elkaar tot een reuzenroos die regendruppels achterlaat op de tegels. Ze gaat alleen aan een tafeltje zitten.

Ik zet het glas aan mijn mond en zie ondertussen het nicotinekleurige plafond waarop een paar rode vlekken zitten. Ik denk aan tomatensap, bloed en zelfs aan lippenstift, wat raar zou zijn op die hoogte.

Wie zoent een plafond?

Ik kijk door de vierkante ruiten naar buiten. Aan de overkant van de smalle straat hangt een nagenoeg zwart schilderij in galerie Vanlangedonck Callewaert. Daar is het. Een metalen geluid van buiten overstemt het geroezemoes. Het gerammel klinkt nog altijd hetzelfde. De tram door de Wolstraat. Het is een oud model. Op de achterkant van de tram staat: 11 Melkmarkt/Berchem Station. Ik kijk de wagon zo lang mogelijk na. Het geluid van de wielen weerkaatst in de verte tegen de muren. Zo klonk het ook toen ik hier als jongeman met een bos krullen op het hoofd met Belgische francs de drank betaalde.

Ik besluit nog drie bierglazen lang in De Kat te blijven.

Op een klein schoolbord onder de bar signaleer ik een woord. Met wit krijt geschreven: wortel. Met mijn hand op mijn voorhoofd sla ik op hol. Moet de barvrouw niet vergeten een wortel te kopen? Is haar artiestennaam Wortel? Kun je rauwe wortel bestellen? Of trekt iemand aan de bar in stilte wortels?

De kleine wijzer van de klok hangt op een heel andere plaats dan bij binnenkomst. Er zijn mensen gekomen, mensen vertrokken. Ik zit al uren met mijn rug tegen de leren bekleding van de muur en kijk hoe de tijd verstrijkt.

Ik bestel een glas meer dan ik van plan was. Mijn blaas speelt op. Behoedzaam sta ik op, met één hand steunend op mijn tafeltje. Ik schuifel de eerste passen en loop dan quasi overmoedig langs vier ruggen op krukken. Aan het einde van de bar naar links. Deur door. Diep ademhalen. Buiten op straat hoor ik het weer rammelen.

Weer aan tafel drink ik het volle glas halfleeg. De man met het grijze haar eet een tosti op. Ik wil er ook één. Madame komt en vraagt of ik er mayonaise bij wil. Of ketchup. Of mosterd. Of alles, mag ook van haar. Even later staar ik naar de tosti met glazen bakjes eromheen. Ik vind vooral de kleine augurk heel lief.

Er komt een moderne tram voorbij. Lijn 10. Wijnegem staat er op, met digitale letters. Op het terras belt iemand met een mobieltje. De moderne tijd klopt aan de deur van café De Kat.

Ik geef een flinke fooi en loop naar buiten. De motregen geeft glans aan het enkele spoor dat midden in de zee van kinderkopjes ligt. Ik zie nog een tram passeren en zoek dan naar de juiste richting om weg te komen van waar ik was.

Wilfried de Jong