Nieuwe bundel Zwagerman: weg met dat kunstvampirisme

Kort voor zijn dood voltooide Joost Zwagerman een poëtische bundel kunstbeschouwingen met magistraal uitgewerkte observaties, van Botticelli tot Rothko. Op een enthousiaste manier wist hij kunst al schrijvend een nieuw leven te geven.

Edward Hopper: Night Windows (1928) Collectie Museum of Modern Art, New York

Ergens tegen het einde van zijn nieuwe, rijke bundel essays over kunst en literatuur De stilte van het licht haalt Joost Zwagerman de door hem bewonderde dichter K. Schippers aan, die schreef: ‘De dingen hebben jou nodig/ om gezien te kunnen worden’.

Dat raakt de kern, omdat Zwagerman in dit boek zijn talent tentoonspreidt om boeiende verhalen te spinnen rond kunstwerken, betekenissen te leggen in schilderijen die je anders zouden zijn ontgaan of anders niet zouden bestaan. Er is geen andere schrijver in Nederland die zo open van geest en met kennis van zaken associeert over kunst en literatuur. Ik moet natuurlijk schrijven, sinds zijn dood afgelopen dinsdag, ‘er was geen andere schrijver’, maar in dit boek is hij zo vitaal aanwezig, dat ik het voorlopig op ‘is’ houd.

In een erg geestige passage over de fotokunst van Jeff Wall, een hedendaagse Amerikaanse fotograaf, over wie kunstscribenten geleerde teksten produceren, schrijft hij:

Waarom heb ik de handboeken moderne filosofie niet geraadpleegd alvorens een blik te durven werpen op Walls foto-oeuvre?

Hij noemt zulke critici, die kunst met ‘geharnast vakjargon’ beschrijven, beoefenaars van ‘kunstkritisch vampirisme’. Zij zuigen alle ‘bloed, zweet en tranen’ weg uit een oeuvre.

Informatie uitgummen

Zwagerman is het tegendeel van een kunstkritische vampier. Hij geeft kunst al schrijvend nieuw leven. Niet alleen verdiept hij zich in het leven van de kunstenaar door kennis op te zuigen uit boeken en artikelen. Hij wil de kunstwerken die hem boeien ook zelf zien, en doet dan moeite, zoals hij schrijft, al die informatie ‘uit te gummen’ om te zien wat het werk hem op dat moment zegt. Hij neemt je mee in zijn kijkervaring, en dat is in deze tijd vol van reproducties verfrissend.

Een mooi voorbeeld van hoe verrassend zo’n echte ontmoeting met een kunstwerk kan zijn, beschrijft hij in het hoofdstuk ‘De gluurder. Night Windows van Edward Hopper’. Op dat schilderij van de Amerikaanse schilder uit 1928 kijken we vanuit het donker in de verlichte kamer van een appartement, waar we uitsluitend een deel van een voorover gebogen vrouw in een roze jurk op de rug zien: haar arm, haar rug, haar billen, een stukje van haar benen zijn zichtbaar. Zwagerman vertelt dat hij de reproductie op zijn achttiende voor het eerst zag, en hij wilde in 1991 dat schilderij op de cover van zijn boek Vals Licht. Want de raamprostituee waarop de student in het boek verliefd wordt, leeft in zo’n zelfde ‘onderwaterkamer’, een kamer waarin je als in een aquarium kijkt, aldus Zwagerman, waar je als onschuldig voyeur terloops een glimp opvangt van iemands alledaagse bezigheden.

Hij was zo aan het schilderij gehecht, dat hij zijn best deed het bij iedere herdruk weer op de cover te krijgen, maar in 1999 lukte dat niet meer. ‘Het was een moeilijk afscheid’ schrijft hij.

 

Pas onlangs, in 2014, schrijft hij, zag hij het in het echt in het Museum of Modern Art in New York. Het was wilder en haastiger geschilderd dan de reproductie deed vermoeden. En zijn indruk, dat dit een moment van onschuldig voyeurisme was, bleek misplaatst:

 

Je kijkt, vanaf de door Hopper denkbeeldig gecreëerde plaats van een tegenovergelegen appartement, gewoon recht tegen een in rood gehulde kont aan. En wat voor kont! Tegen wil en dank worden we opgezadeld met de identiteit van een geniepige en stiekeme gluurder

Zwagerman haalt Hitchcocks film Rear Window erbij, en de mogelijke inspiratie voor het werk, een verhaal over een glurende predikant, uit 1919, en brengt zo Hoppers doek tot leven.

Zwagerman heeft zijn rijk geïllustreerde essaybundel met de ondertitel ‘Schoonheid en onbehagen in de kunst’ opgedeeld in de secties Stilte, Schoonheid, Onbehagen en Verdwijnen. Dit verhaal over Hopper staat in de sectie Onbehagen, over kunst die op fascinerende manier het onbehagen van het leven zichtbaar maakt. Die sectie is het hoogtepunt van de bundel, omdat Zwagerman daar vrijelijk appels en peren vergelijkt, zoals hij het noemt, en moeiteloos schakelt tussen de gruwelen en angsten van Goya, Caspar David Friedrich, Munch en Bacon. Hij neemt je soepel mee in een verhandeling over de existentiële dreigingen van ‘vuil weer’ in landschapskunst van Jan van Goyen tot Gerrit Benner en de hedendaagse schilder Robert Zandvliet.

Eline Vere

Werk van Félix Vallotton, Botticelli, Koos Breukel, Rob Scholte en Thom Puckey brengt hij in verband met de roman Eline Vere van Couperus, met goed gekozen citaten. En en passant komt hij met magistraal uitgewerkte observaties over ‘O, de zeggingskracht van een vrouwenhand…’

Het is veel, wat Zwagerman behandelt. Hij noemde zichzelf in het interview dat hij een paar dagen voor zijn dood gaf aan HP/De Tijd een ‘nieuwsgierig handenwrijvende’ toeschouwer – en van beeldende kunst is hij dat zeker. De index met kunstenaars die hij behandelt beslaat elf pagina’s. Hij heeft over bijna allen wel iets opmerkelijks te zeggen, van herman de vries tot Marlene Dumas. En er is geen schrijver in Nederland die zo poëtisch kan filosoferen over het Niets in de kunst, of het Wit in de kunst als hij. En al helemaal niet over de haast religieuze behoefte en mogelijkheid om ‘te verdwijnen’ in kunstwerken, zoals die van Rothko, en de verlossende leegte van kunst, of het protest tegen het aanwezig zijn, dat hij in kunst waardeert. Hij schrijft daar veel over. Te veel denk je soms. Maar dat komt misschien omdat dit boek door zijn dood ook zijn verdwijning markeert en in feite zijn afscheid van ons is. Het is een moeilijk afscheid.

    • Paul Steenhuis