Schrijft de arts minder antibiotica voor als de patiënt de risico’s beter kent?

Dit najaar verspreidt de overheid een speciale Suske en Wiske strip in alle wachtkamers van huisartsen over de risico’s van antibiotica. Maar moet je bij de patiënt aankloppen om het voorschrijven van antibiotica te verminderen? In de rubriek Mensenkenners beantwoordt psycholoog Denise de Ridder van de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht deze vraag.

In een beleidsbrief van eind juni 2015 aan de Tweede Kamer maken Minister Schippers van VWS en de staatssecretarissen van VWS, EZ en IM hun visie op de aanpak van antibioticaresistentie bekend. Jarenlang al is het probleem van antibioticaresistentie een bron van grote zorg van artsen en wetenschappers en het is verheugend dat het kabinet nu met een aantal maatregelen komt om die resistentie aan te pakken. Het gaat om een samenhangend geheel waarbij het terugdringen van antibioticagebruik in de gezondheidszorg en de veehouderij centraal staat maar er is ook aandacht voor een betere (voedsel)hygiëne en het ontwikkelen van een nieuwe generatie antibiotica, dit alles in een internationaal kader “omdat bacteriën zich niet aan landsgrenzen houden”. En natuurlijk is er ook de onvermijdelijke publiekscampagne die erop gericht is de Nederlandse burgers ervan te overtuigen dat ze minder antibiotica moeten gaan gebruiken.

Onderdeel van die publiekscampagne is een speciale uitgave van een Suske en Wiske strip, Tante Biotica genaamd, die in het najaar van 2015 in alle wachtkamers van huisartsenpraktijken gaat worden verspreid.

Die uitgave is gemaakt door de Belgische Commissie voor de Coördinatie van Antibioticabeleid en biedt toegankelijke informatie over microben, infecties, antibioticaresistentie en het correct gebruik van antibiotica. Het is een sympathieke uitgave volgens het bekende Suske en Wiske stramien waarin Lambik met griep in bed ligt en tante Sidonia onterecht naar de antibiotica grijpt. Suske en Wiske komen vervolgens in actie om uit te zoeken hoe het zit met antibiotica en ten slotte wordt Professor Barabas opgevoerd als de wetenschapper die het grote publiek mag uitleggen waarom Sidonia het bij het verkeerde eind heeft. Ongetwijfeld zal deze strip het grote publiek helpen om beter te begrijpen dat antibiotica geen wondermiddel zijn en dat er zelfs gevaren kleven aan het ongebreideld voorschrijven ervan. Maar de grote vraag is natuurlijk of zo’n publiekscampagne met informatie over de werking en de risico’s van antibiotica gaat bijdragen aan het terugdringen van antibioticaresistentie.

Waarom denkt de overheid dat het voorlichten van het publiek over resistentie tegen antibiotica effectief is?

Ten eerste wordt aangenomen dat patiënten graag antibiotica willen om hun kwalen te lijf te gaan en ten tweede dat zij invloed kunnen uitoefenen op hun arts om antibiotica voorgeschreven te krijgen. Beide assumpties zijn twijfelachtig, zo blijkt uit een meta-analyse die psycholoog Bart Thoolen en zijn collega’s van de Universiteit Utrecht onlangs publiceerden in het tijdschrift Health Psychology Review (2012). In die meta-analyse worden de bevindingen van 28 internationale studies samengevat die laten zien dat patiënten zelden aandringen bij hun arts op antibiotica maar ook, en dat is belangrijker, dat artsen vaak (stilzwijgend) veronderstellen dat hun patiënten antibiotica willen voor kwaaltjes die daarvoor niet in aanmerking komen (virale aandoeningen zoals griep en verkoudheid) terwijl die patiënten daar helemaal niet op zitten te wachten. Ook blijkt uit de studies dat het al dan niet voorschrijven van antibiotica zelden onderwerp van gesprek is in de spreekkamer en dat in dat opzicht de patiënt weinig in te brengen heeft in de beslissing of er antibiotica worden voorgeschreven (als hij dat al zou willen).

 

Wat is er dan wel effectief?

De  beste manier om antibioticagebruik terug te dringen lijkt te simpel voor woorden: als artsen geen antibiotica voorschrijven of voorstellen om het even aan te zien, worden er minder antibiotica gebruikt en, belangrijker nog, is de patiënt even tevreden over zijn huisarts. Dit alles laat zien dat de patiënt wellicht niet het beste aangrijpingspunt is voor een betere aanpak van antibioticaresistentie: het lijkt veel verstandiger om bij (huis)artsen aan te dringen op een ander voorschrijfbeleid - het is immers zijn expertise en zijn verantwoordelijkheid. Bovendien blijkt uit de studies dat veel artsen om onduidelijke redenen – verkeerde ideeën over wat patiënten willen, laksheid, onkunde? – antibiotica voorschrijven die patiënten niet willen en die ook niet stroken met de medische richtlijnen en protocollen die daarvoor gelden.

Wat kan de overheid dan beter doen?

De Minister zou beter haar geld kunnen besteden aan de bijscholing van huisartsen dan aan het voorlichten van het grote publiek. Daarbij geldt overigens voor artsen hetzelfde als voor patiënten: meer educatie is zelden voldoende om (voorschrijf)gedrag te veranderen, artsen moeten ook de motivatie en de vaardigheden hebben om anders om te gaan met antibiotica.

 

Is Tante Biotica dus zonde van het geld?

Een beetje wel. Patiënten hebben er waarschijnlijk meer aan als de huisarts hun kennis bijspijkert op het moment dat het relevant is, dus bijvoorbeeld wanneer de patiënt denkt dat antibiotica helpen bij griep of verkoudheid en de arts kan uitleggen dat dit niet het geval is. In de beleidsbrief wordt ook over de mogelijkheid van bijscholing van huisartsen en andere medische professionals gesproken om het probleem van de antibioticaresistentie op te lossen. Echter, het wordt niet duidelijk hoe huisartsen een en ander moeten aanpakken in hun omgang met patiënten. Dat staat in schril contrast met de gedetailleerde beschrijving van de publiekscampagne. Het is bepaald opvallend dat het probleem van de antibioticaresistentie zo gemakkelijk op het bordje van de zogeheten veeleisende maar onwetende burger wordt geschoven.

 

Denise de Ridder is hoogleraar psychologie en directeur van het SelfRegulationLab aan de Universiteit Utrecht

Dit is de zesde aflevering van de NRC/WRR rubriek ‘Mensenkenners’ .  Daarin analyseren gedragswetenschappers actuele wetsvoorstellen op uitnodiging van dr. Petra Jonkers. Zij is co-auteur van “Met kennis van gedrag beleid maken” (2014), een advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. 

    • een onzer redacteuren