Opinie

    • Jutta Chorus

Het bloed en de taxi

Tien voor half negen, de tramhalte op het Damrak in Amsterdam. Achter me klinkt een gil en het geluid van een fiets die op het plaveisel klettert. Een meisje met een paardenstaart ligt op de grond. Bloed spuit uit haar kin. Een paar mensen schieten te hulp. Haar vriend tilt haar zachtjes onder de fiets vandaan. De chauffeur van een fietstaxi biedt een zakdoekje aan. Een meisje met rode lippenstift zet de fiets aan de kant.

„Moeten we geen ambulance bellen”, vraagt het meisje met de lippenstift. We kijken naar het meisje met de paardenstaart. Ze zit op haar hurken, rustig, maar het bloed blijft stromen. Alarmnummer 112. De verpleegkundige aan de telefoon vraagt door. Haar leeftijd? Is ze bij bewustzijn? Verkeert ze in ademnood? „Er is geen sprake van een levensbedreigende situatie”, concludeert de vrouw. „We kunnen geen ambulance sturen.” Dat begrijp ik wel. Ze adviseert het meisje met een taxi naar het ziekenhuis te brengen.

Het meisje met de rode lippenstift steekt de weg over naar de Bijenkorf. Daar staat een taxi te wachten. Het meisje met de paardenstaart zit inmiddels op een stoel. Ze is Russisch, uit Mytisjtsji bij Moskou. Haar vriend heeft zijn arm om haar heen geslagen. Ze krijgt een stapeltje papieren handdoekjes aangereikt, want ze bloedt nog steeds. Nu zal het niet lang meer duren.

Daar komt het meisje met de lippenstift al terug. „Hij wil het niet doen. Geloof jij het?” zegt ze ontdaan. „Hij is bang dat er bloed in zijn auto komt.” Er komt een tweede taxi aanrijden, net als de voorste van de Taxi Centrale Amsterdam (TCA). De chauffeur laat passagiers uit zijn auto. We vragen hem te helpen, maar hij wijst naar de eerste. „Hij is eerst”, zegt hij. De eerste is brutaal blijven staan. „Ik doe het niet”, herhaalt hij. „Ik moet zo iemand ophalen”, zegt de tweede.

Daar zijn nog meer taxi’s, zegt het meisje met de lippenstift. We rennen naar hotel Krasnapolsky. Vooraan staat een TCA-taxibusje. De trage bestuurder schudt zijn hoofd. „Dan moet ik helemaal omrijden.” De chauffeur achter hem heft zijn handen ten hemel. Ook hij doet het niet.

Achter het monument op de Dam staat een taxi, een zwarte Mercedes. Chauffeur Ben, ook TCA, wil wel helpen. „Ik ben een goede Nederlander”, zegt hij. Hij scheurt de hoek om. „Geen bloed toch hè”, zegt Ben. „Uh, jawel.” Ik kijk naar de witleren stoelen. Maar hij doet het.

Daar komt het meisje met de paardenstaart aanstrompelen met haar vriend. Een nieuw doekje tegen haar kin. Het is bijna kwart voor negen.

„Onze chauffeurs zijn verplicht mensen die gewond zijn of in nood te helpen”, zegt de woordvoerster van TCA als ik bel. „Als er geen sprake is van levensgevaar.” Een rit naar het ziekenhuis wordt zelfs door TCA betaald, zegt ze.

In de Amsterdamse taxiverordening staat: „De chauffeur is verplicht consumenten op hun verzoek te vervoeren en staakt geen ritten tenzij dit in redelijkheid niet van de chauffeur kan worden gevergd.” Heel vervelend, vindt de woordvoerster van TCA, „We gaan het uitzoeken.”

Vanochtend belde de vriend mij op. De kin was gehecht, het meisje zat met een hersenschudding op haar hotelkamer. „Gek van die taxi’s”, zei hij.

    • Jutta Chorus