Column

„Damn your soul”

Een intrigerend ‘ikje’ in nrc.next gisteren van ex-bibliothecaresse Cora Duin over de vader van Joost Zwagerman, die eind jaren negentig in de bibliotheek van Alkmaar boeken van zijn zoon wil lenen: „Ik zou graag elk boek van hem willen lezen, het is mijn zoon.”

Logische vraag: hoe kwam het dat hij niet in het bezit was van die boeken? Kreeg hij ze niet of wilde hij ze eerst niet? Of: hoe gecompliceerd kan de relatie tussen vader en zoon wel niet zijn?

Joost Zwagerman was niet de eerste schrijver die daarmee geworsteld heeft. In korte tijd las ik twee boeken waarin die gebrekkige relatie een essentiële factor is: De brieven van Frans Kellendonk en Saul Bellow’s Heart, A Son’s Memoir door Greg Bellow.

Er is een verschil tussen die boeken: het boek van Greg Bellow draait uitsluitend om de relatie met zijn vader, terwijl Kellendonks vader in de brieven een bijrol – maar wel een veelbetekenende – heeft. De overeenkomst is dat beide zoons in het contact met hun vader een diepe kloof ervaren.

In de brieven van Kellendonk aan zijn familie („Hallo allemaal”) blijft de vader, een Nijmeegse aannemer, op de achtergrond; hij duikt meestal op als de mecenas-op-afstand van wie verwacht wordt dat hij de student in Amsterdam wat geld toestopt. Een plichtmatige verjaardagsfelicitatie kan er nog net af. Frans ervaart zijn vader als een ‘vreemde’ en een ‘afwezige’, schrijven de samenstellers van deze mooie bundel, Oek de Jong en Jaap Goedegebuure. „Zijn verhouding met zijn moeder is er des te intenser door.”

Gaandeweg begon je als lezer al zelf te vermoeden dat er iets schortte aan de relatie met zijn vader, maar de bevestiging valt toch nog als een soort bijl in een brief aan zijn vriend Jan Duyx.

„Als mijn vader nu zou sterven, zou hij binnen een jaar volkomen vergeten zijn. Ik denk niet dat ik nog vaak aan hem zou denken, juist omdat ik zoveel aan hem heb moeten denken, als afwezigheid. Wanneer hij dood is kan hij die afwezigheid ook niet meer hebben en kan ik geen verwijten meer maken. Het zou een bevrijding zijn. (…) Natuurlijk heeft hij evenveel recht om te leven als ik: het is wreed dat mensen door een toeval elkaar zo in de weg zitten dat de een het niet kan helpen dat hij de ander wegwenst.”

Harde woorden, die pas verzacht worden als de vader twaalf jaar later sterft. „Ik ben erg door zijn dood geschokt en hoewel we niet met elkaar konden opschieten stonden we elkaar toch heel na, wat ik nu pas goed besef.”

Minstens zo wrang is de positie van Greg Bellow. Door de scheiding van zijn ouders heeft hij zijn beroemde vader al in zijn jeugd vaak moeten missen. Toch heeft hij voldoende redenen om hem om zijn geëngageerde schrijverschap te bewonderen. Maar dan wordt zijn vader langzamerhand een grimmige, oude, rechts-conservatieve man die uitvaart tegen zwarten en feministische auteurs. „Ik was en blijf bedroefd over de tol die Sauls gedesillusioneerdheid en pessimisme van hem en ons eiste”, schrijft hij.

Als Saul weigert de bruiloft van Gregs dochter bij te wonen, knapt er iets bij Greg. „Damn your soul”, snauwt hij tegen zijn vader, beseffend dat dit het ergste is wat je een vader die geobsedeerd wordt door de dood kunt toevoegen.

Toch blijft Greg, dwars tegen zijn weerzin in, zijn wegkwijnende vader bellen en opzoeken. Zijn laatste woorden tegen zijn vader schreeuwt hij door de telefoon: „I love you, sweetheart.”