Chinese censuur zal ons nu ook centen gaan kosten

Peking, blijf af van economische verslaggevers. Vrijheid van beleggen kan niet zonder vrijheid van pers, betoogt Garry van Pinxteren.

Terwijl de onrust op de Chinese beurzen toenam, nam de persvrijheid juist af. Dat is geen toeval. Dat de Chinese beurskoersen zo sterk fluctueren, komt zeker ook doordat Chinese media hun rol als verstrekker van gevarieerde informatie uit verschillende bronnen steeds minder mogen spelen.

Wang Xiaolu, economieverslaggever van het invloedrijke zakentijdschrift Caijing, wordt vastgehouden voor een stuk dat hij in juli schreef. Hij had uit verschillende bronnen gehoord dat de Chinese overheid niet langer van plan zou zijn om de beurzen te ondersteunen met steunaankopen. Inmiddels heeft hij, zo te zien sterk vermoeid en weinig overtuigend, een bekentenis op de Chinese staatstelevisie afgelegd waarin hij stelt dat hij zo’n stuk nooit had mogen schrijven. Caijing stelt dat ze het oppakken van Wang niet begrijpen: hij deed gewoon zijn journalistieke werk.

Wangs arrestatie is geen uitzondering: in totaal zijn er 197 mensen opgepakt voor het verspreiden van ‘valse geruchten’, zowel over de beurs als over een enorme ontploffing van chemische stoffen vorige maand in Noord-China.

In juni liet de staatsinstantie die verantwoordelijk is voor de media in een geheime, uitgelekte instructie weten dat media alleen nog informatie over de beurs mochten publiceren die afkomstig is van de overheidsinstantie die toezicht houdt op de beurzen.

Vooral kleine, onervaren Chinese beleggers, die anders dan in de meeste andere landen de grote meerderheid vormen, vertrouwen de officiële informatie van de overheid maar half. Ze weten dat de overheid financiële informatie soms om politieke redenen manipuleert. Ze weten ook dat de media alleen nieuws mogen brengen dat door overheidsinstanties is ingestoken. Ze blijven dus op zoek naar andere informatie. Zonder betrouwbare, openbare informatie baseren ze zich dan noodgedwongen op geruchten. Ze worden daarmee extra gevoelig voor kuddegedrag, en maken de beurzen daarmee extra volatiel.

Als er in China niet meer vrijelijk gesproken mag worden over de beurzen en de economie, dan betekent dat ook voor ons niet veel goeds. We weten dan niet wat er nu eigenlijk in China aan de hand is. Hoeveel hebben de dalende beurskoersen bijvoorbeeld te maken met zwaktes in de economie? Groeit de economie in China nu met 7 procent, zoals de overheid volhoudt, of maar met 4 procent, zoals buitenlandse analisten zeggen? Niet alleen wordt de situatie binnen China extra instabiel, ook wij hebben dan minder in handen om inschattingen van mogelijke risico’s te maken. Daardoor zal ook hier de neiging toenemen om te heftig te reageren als er in China iets gebeurt dat we niet goed kunnen duiden.

Het gekke is dat de Chinese overheid eerder juist heel goed begreep dat openheid en een kritische pers voor een gezonde, open economie van groot belang is.

De persvrijheid was weliswaar beperkt als het ging om ‘gevoelige’ onderwerpen als mensenrechten, maar financiële en economische verslaggeving was opvallend vrij. Veel onderzoeksjournalisten legden financiële schandalen bloot, er verschenen verhalen over de manipulatie van beurskoersen en over wangedrag van overheidsinstellingen. De overheid besefte dat transparantie juist op economisch gebied gewenst was, alleen al omdat het land anders aan corruptie ten onder zou gaan. Het is dan ook niet toevallig dat juist de beste, ook internationaal meest invloedrijke Chinese journalisten en media zich richten op economische verslaggeving: daar krijg je namelijk een vrijheid die elders ver te zoeken is.

Tenminste: dat was tot voor kort zo. Nu wordt dus ook de economische verslaggeving monddood gemaakt. President Xi Jinping lijkt zo in het nauw gedreven door de koersval op de Chinese beurzen en door de angst dat de economische groei stagneert, dat hij zich geen vrijere media meer durft te veroorloven.

Het is in ons eigen belang om er bij China op aan te dringen dat Chinese journalisten hun werk gewoon mogen blijven doen. Dat hoeft niet te gebeuren op morele of principiële gronden. Ook het bedrijfsleven kan deze zaken ter tafel brengen, net als een op economische diplomatie gerichte overheid. De nadruk kan daarbij liggen op het belang van een vrijere pers voor de economische stabiliteit, iets wat China hoog in het vaandel heeft staan.

Voor zo’n argument, meer dan voor een breder mensenrechtenverhaal, is er waarschijnlijk ook meer begrip binnen de Chinese overheid. Niet iedereen is het eens met de door angst gedreven maatregelen van Xi Jinping, dat blijkt wel uit het gegeven dat censuur op zakelijke media lange tijd bewust beperkt was – dat was ook een bewuste beslissing van het Chinese bestuur. De Chinese overheid is zeker één van de bronnen van informatie, maar liever niet de enige.