Vroeger kwamen VVD’ers wél weg met NSB-verleden

Vrees biografie over oud-partijvoorzitter niet, schrijft Marjan Schwegman.

Onlangs nam de VVD afstand van een door Alies Pegtel geschreven biografie van Haya van Someren-Downer, één van de eerste actieve leden van de naoorlogse VVD. Morgen is de presentatie in Amsterdam bij boekhandel Scheltema, maar de overhandiging van het eerste exemplaar aan VVD-leider Rutte gaat niet door.

Reden was de in de ogen van de VVD onevenredig grote aandacht voor het NSB-verleden van de ouders en broers van Haya van Someren. De VVD betwist de feiten niet, maar wel het gewicht dat de biografe aan dit verleden hecht. Ook wil de VVD met zijn besluit de gevoelens van de zoon van Haya respecteren.

Met deze daad onderstreept de VVD ongewild het punt dat Pegtel wil maken: de schaduw van een NSB-verleden werkte in de familie Downer tot in de tweede, en, naar nu uit de reactie van de zoon van Haya blijkt, zelfs tot in de derde generatie door. De afstand in tijd maakt het gewicht van dat verleden voor de VVD kennelijk niet kleiner, maar groter.

Hoe ging de VVD vroeger om met mensen met een ‘fout’ verleden? Konden ex-NSB’ers, of kinderen van NSB’ers lid worden van de partij? Werd hun toegestaan in partijverband zichtbaar actief te worden en naar buiten te treden? Met deze vragen kreeg iedere politieke partij in de eerste decennia na de oorlog te maken. Uit een in 2013 verschenen NIOD-publicatie over ‘foute’ Nederlanders in de jaren vijftig en zestig, Doorn in het vlees, blijkt dat de PvdA en de VVD over het algemeen een pragmatische houding aannamen. Hoe dit voor andere politieke partijen lag, is bij gebrek aan bronnen helaas niet vast te stellen. Voor de VVD gold dat er weliswaar sprake was van beleid op dit punt, maar dat dit niet uniform was. Het uitgangspunt was dat problemen in de eerste plaats lokaal dienden te worden opgelost: afdelingen moesten geval voor geval bekijken of iemand met een ‘fout’ verleden kon meedoen. Veel hing af van de houding van de ‘goede’ leden. Als zij geen probleem hadden met de aanwezigheid van een oud-NSB’er, kon die gewoon meedoen.

Er was dus geen sprake van een algemeen verbod, dan wel een afgedwongen vergeten en vergeven. Pas als een lokale afdeling er niet uit kwam, bijvoorbeeld omdat ‘goede’ leden dreigden op te stappen, kwam het dagelijks bestuur van de VVD in actie. Dan werd aan de hand van door het hoofdbestuur opgestelde richtlijnen gehandeld. Die waren erop gericht reputatieschade voor de partij zo beperkt mogelijk te houden. Het risico van reputatieschade speelde vooral bij gevallen waarin een ‘fout’ verleden werd ontdekt dat tot dan toe geheim was gehouden. Zo kreeg het dagelijks bestuur van de VVD in 1964 bericht van de VVD-afdeling in Arnhem, waar was gebleken dat de afdelingssecretaris tijdens de oorlog landelijk propagandaleider van de NSB en lid van de staf van Mussert was geweest. Frits Korthals Altes, lid van het dagelijks bestuur, ondernam toen actie, met als resultaat dat de ‘foute’ afdelingssecretaris geruisloos verdween. Het probleem kon dus in kleine kring worden opgelost, zonder dat dit tot escalatie leidde.

Rond de persoon van Haya van Someren-Downer rees in het najaar van 1966 ook een probleem. In dit geval was een geruisloze oplossing bijzonder lastig. ‘Boer’ Koekoek, leider van de Boerenpartij, beschuldigde Haya er namelijk openlijk van lid te zijn geweest van de Jeugdstorm, de jeugdafdeling van de NSB. De zaak trok veel publieke aandacht, omdat zowel Koekoek als Van Someren-Downer bekende politici waren. Die aandacht nam alleen maar toe toen Haya op 24 januari 1967 de gang naar de rechter maakte om – met succes – een einde te maken aan de beschuldigingen van Koekoek.

Ook voordat deze afloop bekend was, had de VVD al laten zien dat de partij Haya niet liet vallen. Waarschijnlijk maakte het uit dat achter de schermen inmiddels op last van de minister van Justitie A.A.M. Struycken (KVP) een onderzoek gedaan was naar de antecedenten van Haya. De vertrouwelijke resultaten had de minister op 18 januari 1967 ontvangen: over Haya waren geen belastende feiten te vinden, over haar ouders en broers wel. Het allerbelangrijkste was dat Haya tijdens en na de oorlog afstand bleek te hebben genomen van de opvattingen van haar familie.

Dat de VVD Haya in 1967 bleef steunen ondanks het ‘foute’ verleden van haar familie, laat zien dat niet haar familie, maar Haya voor de VVD centraal stond. Nu is het omgekeerde het geval en laat de VVD zich gijzelen door de vrees voor (indirecte) associaties met de NSB. Hoe is deze ontwikkeling van genuanceerd naar zwart-wit te verklaren? Voer voor verder debat.