Vechten om het publiek

Theaters en gezelschappen hebben allebei dringend de inkomsten van bezoekers nodig om de gevolgen van bezuinigingen te compenseren. Maar het aantal bezoekers neemt niet toe. Om de kaartjesopbrengst wordt daarom harder gestreden.

Een forse opleving in het bezoek aan het gesubsidieerde toneel in de theaterzalen, met 20 procent naar 386.000 bezoekers. Dat is een belangrijk lichtpunt in de cijfers die de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecteuren deze week publiceert.

Verder lieten de cijfers een voortgaande dalende trend van de afgelopen jaren zien. Het bezoek aan podiumkunsten in de Nederlandse schouwburgen en concertzalen nam in 2014 verder af tot 10,4 miljoen. Het aantal optredens van muziek-, dans- en toneelgroepen in die zalen was met 29.801 nog nooit zo laag sinds 2005. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat voor het eerst festivalvoorstellingen (circa 2.500) niet meer worden meegeteld. Vooral musicals zien een grote daling, er worden ook veel minder musicalvoorstellingen geboekt (een daling van ruim 1.000 sinds 2011). Ook het totale toneelbezoek laat geen stijging zien. Waar de gesubsidieerde instellingen iets winnen, hebben de vrije producenten aan bezoekersaantallen verloren.

Achter deze cijfers gaat een harde werkelijkheid schuil. Zowel de podia als gezelschappen en vrije producenten hebben een stijging van bezoekersinkomsten hard nodig. Vrije producenten hebben geen andere inkomstenbron. Voor podia en gesubsidieerde gezelschappen rest bijna geen andere mogelijkheid om de bezuinigingen op te vangen die zowel Rijk als gemeenten sinds 2012 doorgevoerd hebben.

„Ook de schouwburgen hebben vanuit hun opdrachtgevers – de gemeenten – de boodschap gekregen meer inkomsten uit publiek te genereren. Dat is precies de kern van het probleem”, zegt Jacques van Veen, directeur van Theater Utrecht. „Theaters en gezelschappen hebben een zelfde opdracht, maar in de praktijk is er nog te weinig sprake van een gezamenlijke aanpak. Zoals collectieve promotie, maar vooral ook het delen van bezoekersgegevens.”

Lukt het niet om meer bezoekers te trekken, dan moeten podia ingrijpen door het aantal voorstellingen terug te brengen of minder voor de voorstellingen te betalen aan gezelschappen en producenten. En dat gebeurt, blijkt uit een rondgang van deze krant langs 34 theatergezelschappen, vrije producenten en impresariaten. Acht van de tien kleinere toneelgroepen, alle vijf de jeugdtheatergroepen en negen van de tien impresariaten en vrije producenten geven aan dat het moeilijker is geworden voldoende boekingen te krijgen. Bij de grote rijksgesubsidieerde gezelschappen geldt het voor vier van de negen.

Veel gezelschappen willen liever niet met naam geciteerd worden, de relaties zijn te gevoelig. Uit hun antwoorden ontstaat echter een beeld dat de podia proberen de risico’s steeds meer bij de gezelschappen te leggen, die zelf echter niet de reserves hebben om tegenvallers op te vangen. Dat kan leiden tot risicolozere voorstellingen. „Podia programmeren terughoudender, ze zijn meer dan voorheen op zoek naar ‘sure hits’ terwijl die juist in deze sector vaak zo onvoorspelbaar zijn”, zegt Maarten van der Cammen van Via Rudolphi, dat voorstellingen van jonge makers produceert en van kleinere gezelschappen verkoopt.

„Er wordt minder risicovol geprogrammeerd en dat maakt het produceren van nieuw geschreven stukken lastiger. Terwijl dat toch zo belangrijk is voor de verdere ontwikkeling van onze toneeltraditie”, zegt Majlis Korthals van vrije producent Hummelinck Stuurman, dat dit najaar Eline Vere brengt.

Voor een minderheid van de gezelschappen en vrije producenten betekent het dat ze in minder zalen optreden dan enkele jaren geleden. Voor kleinere producties is het probleem dat de afgelopen jaren een aantal vlakkevloerzalen en kleinere theaters gesloten zijn.

De vergoedingen die de gezelschappen en vrije producenten krijgen voor hun voorstellingen, staan onder druk. De door het Fonds Podiumkunsten gesubsidieerde gezelschappen moeten een bepaald aantal speelbeurten per jaar halen, en merken dat podia daar gebruik van maken om de prijs onder druk te zetten. Caspar Nieuwenhuis van Likeminds, een collectief van jonge theatermakers: „Onze agent is een bekende in het theatercircuit waar wij onze voorstellingen voor produceren, dus dat levert meer speelbeurten op. De andere kant van de medaille is dat we voor iedere voorstelling die we verkopen een uitkoopsom krijgen die zwaar onder de marktprijs is. Kortom: op vrijwel iedere speelbeurt zit subsidie.”

Zeven van de negen grote rijksgesubsidieerde gezelschappen en alle kleinere toneelgroepen, jeugdgezelschappen, vrije producenten en de impresariaten geven aan dat de voorwaarden waaronder theaters producties afnemen zijn veranderd. Ze krijgen lagere uitkoopsommen geboden (waarbij een theater tegen een bepaalde prijs een voorstelling afneemt en zelf de kaartopbrengsten ontvangt), lagere garanties (waarbij het theater ongeacht de kaartverkoop een bepaalde opbrengst uitkeert) of een ongunstiger partage (verdeling van de kaartopbrengsten tussen gezelschap en theater).

Verschillende vrije producenten geven aan dat ze de laatste paar jaar hun reserves hebben zien teruglopen en de kosten voor hoogkwalitatieve voorstellingen lastiger kunnen opbrengen. Ze brengen minder producties of tornen aan de kwaliteit. Hummelinck Stuurman stuurde eind 2013 een brandbrief naar de theaters om te laten weten dat het moeite had het hoofd boven water te houden. „De brief heeft als resultaat gehad dat de garanties sindsdien op niveau zijn gebleven”, vertelt Korthals, „maar met inflatie en stijgende kosten is dat eigenlijk een achteruitgang.”

Niet iedereen is somber: „Voor mijn soort voorstellingen is de crisis ook een zegen geweest”, zegt Wilma Kuite van impresariaat Alles voor de Kunsten, dat vooral voor gesubsidieerde gezelschappen optreedt. „Dat klinkt gek, dat weet ik. Maar een aantal makers , zoals Jakop Ahlbom en Sadettin Kirmiziyüz, krijg ik veel makkelijker in de grote zalen geprogrammeerd dan zeg vijf jaar geleden. Er is veel meer ruimte in de grote zaal voor ‘experiment’. Omdat het ook relatief kleine en daardoor betaalbare voorstellingen zijn.”

    • Daan van Lent