Tot je lichaam deinend meebeweegt

Hoe lees je een gedicht? Ellen Deckwitz geeft iedere donderdag een cursus in nrc.next. Vandaag: de muziek die door de regels heen klinkt.

Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Stel: je schuift iemand in zo’n MRI-buis om erachter te komen wat er nou eigenlijk met zijn hersenactiviteit gebeurt wanneer hij leest. Neurowetenschapper Adam Zeman deed het en kwam tot wonderlijke ontdekkingen. Toen de proefpersonen poëzie moesten lezen, werd hun rechterhersenhelft geactiveerd, en in het bijzonder het gedeelte dat ook opgloeit als je naar muziek luistert, een gebied dat niet oplichtte als de proefpersonen de krant of een handleiding voor een Nintendo DS lazen.

Het is eigenlijk niet zo gek dat in ons brein poëzie en muziek dicht bij elkaar liggen: gedichten maken gebruik van de klankrijkheid van taal. Sommige gedichten zitten zo barstensvol rijm dat je tijdens het lezen je voeten niet stil kunt houden Neem het swingende begin van ‘Iris’ door Jacques Perk: ‘Ik ben geboren uit zonnegloren / En een zucht van de ziedende zee, / Die omhoog is gestegen, op wieken van regen, / Gezwollen van wanhoop en wee.’ Niet alleen het rijm zorgt ervoor dat de regels in je hoofd gaan dansen, ook de herhaling van bepaalde letters draagt daaraan bij. De G, W en de Z komen telkens terug en zorgen voor een vast patroon binnen de regels. Het bekt bovendien als een malle: ik heb dit gedicht zelfs een keer (onder invloed) gerapt en kwam er ongeveer mee weg!

Gedicht met vast patroon bezit metrum

Niet alleen zaken als eindrijm en alliteratie maken van de poëzie een liedje. Spreek een zin als ‘Doe mij eens een goede Twix’ eens hardop uit: ‘Doé mij eéns een goéde Twíx.’ Door de afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen ontstaat er ritme. Wanneer het ritme van een gedicht een vast patroon heeft, kun je spreken van metrum. Lang niet alle gedichten bezitten metrum, maar ze hebben bijna allemaal ritme, hoe uiteenlopend ze ook mogen lijken. Van ‘Boem / Paukeslag / daar ligt alles plat’ (Paul van Ostaijen) tot ‘Hoe de zomer / zich ook gaf, het leek te laat om nog / een nieuwe hartstocht op te lopen’ (Menno Wigman).

Ritme zorgt er niet alleen voor dat een gedicht lekker klinkt, maar kan ook invloed hebben op de interpretatie van de tekst. In het beroemde gedicht ‘Het Stockske’ van Vondel verwijst het ritme van de regels naar het tikken van de wandelstok van Johan van Oldenbarnevelt toen hij naar het schavot werd geleid om te worden onthoofd (omdat hij het beste voorhad met zijn land). Na het lezen van het gedicht hield het ritme ook op. Net zoals het tikken van Van Oldenbarnevelts stockske na zijn executie nooit meer werd gehoord.

Ook het ritme van ons eigen lichaam kan zijn weerklank vinden in gedichten, waar het voor herkenbare situaties kan zorgen. In het derde deel van de poëzie-cyclus ‘De modder-haven’ van Karel van de Woestijne lezen we het volgende (waarbij ‘zij’ verwijst naar ‘meiskes uit de taveernen’): ‘Zij dragen van vurige zijde / een keurske dat spant en splijt / we ontwaken aan hare zijde / met de houten mond van de spijt.’ ‘Houten’ staat natuurlijk voor die uitgedroogde bakkes na een avond lol met een handvol kroegsloeries. Het ritme in dit vers dreunt in dezelfde cadans als de hoofdpijn die je hebt overgehouden aan een avond Jägermeister en port door elkaar drinken.

Ritme voegt betekenis toe, maar de absentie van ritme eveneens. Kijk maar naar dat mooie gedicht van Lucas Hirsch hiernaast. De regels: ‘Ik weet niet waar ik zoeken moet en? / laat het staan, laat het gaan voor zover / verwarring gaat en doe wat moeders doen / als nesten leger worden’ bezitten een constante beat. De daaropvolgende zin, ‘Alles teruggezet/ rechtgezet’ vormt een breuk met het eerdere ritme, waardoor de nadruk komt te liggen op wat, en dát er iets wordt rechtgezet. Het gedicht speelt een slim spel met klankverwachting en het doorbreken daarvan, waardoor je als lezer telkens wakker wordt geschud en met je neus op je inhoud wordt gedrukt.

Geraakt worden door een gedicht

Het is dus helemaal niet gek dat het hersengebied dat zich bezighoudt met muziek ook aangaat wanneer we poëzie lezen. Misschien dat we daarom zo geraakt kunnen worden door een gedicht. Niet alleen door wat er wordt gezegd, maar ook door de muziek die door de regels heen klinkt. En hoe dat ons in de verte doet denken aan het ritme van onze eigen hartslag en ademhaling.

Misschien, maar dat zal verder onderzoek nog uit moeten wijzen, worden tijdens het lezen van poëzie ook de hersengebieden geactiveerd die beweging reguleren. Niet voor niets begint ons lichaam mee te deinen op onze lievelingsmuziek.

Ik heb dezelfde fysieke reactie met poëzie. Als ik een goed gedicht lees, merk ik soms dat mijn hoofd begint mee te knikken. Ik weet niet zeker of dat komt door de maat of omdat ik het met de tekst eens ben, maar het geknik lijkt in ieder geval op een ‘ja’: een ja tegen de poëzie. Ja, dat we een lichaam hebben en dat in leven houden voor dit soort momenten, als een gedicht een liedje in ons hoofd wordt, en door ons lijf bonst.