Te weird en te griezelig om waar te zijn

Ze worden ‘The Wolfpack’ genoemd. Een roedel van zes broers in de leeftijd van 16 tot 23 jaar die verkleed als de gangsters uit Quentin Tarantino’s Reservoir Dogs door de wereld gaan. Maar zo stoer zijn ze niet. Eerder doodsbang voor het onbekende. Ze zijn de hoofdpersonen uit de documentaire van Crystal Moselle die begin dit jaar een hit werd, waarna de broers uitgroeiden tot een fenomeen. Toch is hun verhaal te goed, te weird en te griezelig om helemaal te kloppen.

Tot vijf jaar geleden groeiden Bhagavan, Govinda, Mukunda, Narayana, Jagadisa (Eddie) en Krsna (Glenn) Angelo op achter de gesloten deuren van hun armoedige New Yorkse appartement. Hun vader Oscar wilde ze zoveel mogelijk beschermen tegen de perfide buitenwereld. Tot de destijds vijftienjarige Mukunda op een dag besloot om stiekem de deur uit te gaan toen zijn vader boodschappen aan het doen was, waren er jaren voorbij gegaan waarin ze soms maar een paar keer per zomer buiten kwamen.

Behalve de lessen van hun moeder bestond hun scholing vooral uit de stapels films die ze bekeken. Het filmscherm was voor hen werkelijk een venster op de wereld. Ze leefden op een dieet van Quentin Tarantino, Batman en Halloween.

Er blijven veel vragen knagen: waarom vond hun vader de buitenwereld te gevaarlijk, maar had hij er geen bezwaar tegen dat zijn kinderen enge horrorfilms keken? En waren er geen buren die af en toe een kijkje kwamen nemen?

Regisseur Moselle vertelt via Skype dat dat alles haar niet eens opviel, de eerste keer dat ze bij de jongens thuiskwam. Zij had ze op een dag op First Avenue in Manhattan zien lopen en ze aangesproken. Voor een documentarist is ze opmerkelijk weinig journalistiek ingesteld: vragen over de familiesituatie heeft ze eenvoudigweg nooit gesteld, zegt ze. Ze beschrijft de ouders, die in de filmbeelden overkomen als depressief en sociaal fobisch, als lieve mensen. Al was het moeilijk, zo geeft ze toe, om de vader te interviewen – die heeft zijn eigen variant op de harekrishnafilosofie bedacht, heeft een aversie tegen werk en een drankprobleem. Al deze dilemma’s maken de film alleen maar intrigerender. Ogenschijnlijk lijken de jongens niet erg onder hun bizarre jeugd te hebben geleden, bij nadere beschouwing blijken ze allemaal in een of andere vorm van therapie. Als we klaar zijn met aapjes kijken, houdt The Wolfpack, zoals alle goede films, ook een spiegel voor. Die ons bewust maakt van wisselwerking, maar vooral van de verschillen tussen film en realiteit.