Psychologie verkeert in een wetenschappelijke crisis

Bèta-methodieken en statistieken passen niet bij de leer van de psyche. Tijd voor ouderwets nadenken, vindt Jan Derksen.

Illustratie Deng Coy Miel

De helft tot tweederde van het onderzoek in de psychologie kon, aldus een recent artikel in Science, niet worden gerepliceerd (29/8, 31/8). Mijn collega’s reageren defensief: ‘Wij zijn in elk geval eerlijk, we komen ervoor uit, in andere wetenschapsdomeinen is het vast ook zo…’

Deze reactie getuigt van verdedigingswerk in plaats van het serieus nemen van een groot probleem. Indien de bevindingen die peer reviewed worden gepubliceerd, niet te repliceren zijn, is het geen wetenschappelijke kennis. Dan is het fictie. Dan is het precies datgene waar de die hard experimenteel empiristen, die nu in de verdediging schieten, zich altijd zo druk over maken.

De wijze waarop in de psychologie de laatste halve eeuw onderzoek wordt gedaan, is gebaseerd op een natuurwetenschappelijk denkmodel. Het is een aan Newton gelieerde, empirische aanpak. De filosofische ontstaansgrond van de academische psychologie werd verdrongen, theorievorming totaal verwaarloosd. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw is het natuurwetenschappelijk paradigma klakkeloos geadopteerd, zelden worden hier nog kritische vragen bij gesteld. Steeds opnieuw lijken mijn collega’s angst te hebben terecht te komen in ‘fantasy and fiction’.

In een poging zo objectief mogelijk te zijn, wordt de toevlucht gezocht in de statistiek en methodiek. In plaats daarvan zou men observatie en denken moeten trainen; die zijn cruciaal bij psychologieonderzoek.

De natuurwetenschappelijke methoden passen slecht op het abstracte, niet materiële studieobject (psychische patronen en processen). Uiteindelijk blijft er toch die fictie over die ze wilden vermijden.

De ultieme poging het beste jongetje in de academische klas te worden, is voor de psychologie geëindigd in een confettifabriek. Er worden zogenaamde feitjes geproduceerd. Die voegen weinig of niets toe aan wat het gezonde lekenverstand aan psychologische inzichten kan produceren.

Het mission statement van de empiristen zodra ze de confetti overzien – ‘Maar nu weten we tenslotte dat het waar is’ – kan eindelijk op goede gronden bij de andere relikwieën worden opgeborgen. Waarheid bestaat in de wetenschap überhaupt niet, die term gebruiken is al de eerste overschatting die het wankele denken van de moderne empirist kenmerkt.

Het onderzoek in de psychologie verkeert in een crisis, het komt er nu op aan dat de onderzoekers hun eigen onderzoekspraktijk ter discussie durven te stellen, de crisis niet afweren maar aangaan.

De echte wetenschappers stoppen nu met het borgen van hun carrière en precies te doen wat het paradigma voorschrijft. Ze durven te vernieuwen, na te denken over wat relevante kennis is in de academische psychologie. Ze durven het werk van de laatste anderhalve eeuw kritisch te evalueren. Dit leidt onvermijdelijk tot het bijstellen van de pretenties en de onderzoeksmethoden die replicatie zien als een natuurlijk onderdeel van wetenschap. Wetenschap gaat over abstracties, waarop zowel de cultuur als de biologie voortdurend inwerken.