Politie raakt gevoelige informatie jihadproces kwijt op internet

In de speciaal beveiligde bunker in Amsterdam Osdorp is het grote jihadproces begonnen. Foto ANP / Olaf Kraak

De Haagse politie is belangrijke informatie kwijtgeraakt over een infiltratieactie onder jihadisten. Daarmee is mogelijk niet meer te achterhalen of de politie zich schuldig heeft gemaakt aan uitlokking.

Door een nepprofiel aan te maken op Facebook wilde de politie doordringen in kringen van Haagse terrorismeverdachten. Dat blijkt uit een verklaring van een politie-infiltrant die vorige week is gehoord door de rechter-commissaris. De vertrouwelijke verklaring is ingezien door NRC. De rechtbank besloot vanochtend de bevindingen van NRC aan het strafdossier toe te voegen.

Deze week is het proces tegen een groep Haagse jihadverdachten begonnen. Om toegang te krijgen tot hun Facebookprofielen heeft de politie van 2013 tot 2014 een nepaccount gebruikt. Onder de naam ‘Aboe Noewas’ deed een agent zich voor als jihadist. Hij verstuurde vriendschapsverzoeken naar de verdachten. De agent vergat echter zijn eigen Facebook-uitingen op te slaan, en is de informatie nu kwijt omdat het account is verwijderd.

‘Politie werkte op wildwest-achtige manier’

Het is voor het Openbaar Ministerie (OM) belangrijk dat het de rechtbank kan schetsen welke online teksten spontaan door de verdachten zijn geuit, en welke zijn uitgelokt door de politie. Zo deelde de politie een mogelijk opruiende foto op Facebook, die door de verdachten is hergebruikt. De foto zit nu in het strafdossier en wordt de verdachten aangerekend.

Volgens de verdediging heeft het kwijtraken van de informatie ingrijpende gevolgen voor de strafzaak. “Bij infiltratietrajecten moet zeer nauwkeurig worden vastgelegd wat men doet om te kunnen bepalen of er geen sprake is van uitlokking. Dat kan nu niet meer”, zegt advocaat André Seebregts die Azzedine C. bijstaat. Tamara Buruma, wier kantoor Oussama C. vertegenwoordigt, zegt dat de politie “op een wildwest-achtige manier” bewijs heeft verzameld op Facebook. Bovendien illustreert de zaak hoe moeilijk is vast te stellen wat een opruiende tekst is, zegt Buruma:

“Die agent zag niet dat hij een opruiende tekst plaatste, terwijl de verdachten dit wel wordt aangerekend voor precies dezelfde tekst.”

Nepaccount was nodig

Het OM zegt dat de politie een nepaccount op Facebook nodig had om informatie te vergaren. Om een “geloofwaardige positie” te creëren, was het volgens de woordvoerder “noodzakelijk om ook zelf bijdragen te delen”.

De woordvoerder wil niet ingaan op de vraag of de informatie kwijt is. Betrokkenen bij het onderzoek bevestigen dit wel. Politie en OM proberen nu alsnog de eigen infiltratieactiviteiten te achterhalen, door de informatie met spoed op te vragen bij het hoofdkantoor van Facebook.

Toegang tot besloten groep

De verklaring die de infiltrant vorige week aflegde, roept nog meer vragen op. Zo beweert de agent slechts één nepprofiel te hebben beheerd, terwijl er volgens een eerdere verklaring meerdere nepprofielen waren. De politie probeerde met een van die nepprofielen toegang te krijgen tot een besloten Facebookgroep van jihadisten, maar de infiltrant ontkent dat hij dit heeft gedaan. Als onduidelijk blijft hoe de politie toegang heeft verkregen tot deze besloten groep, is dit bewijs volgens advocaat Buruma onrechtmatig verkregen.