Niet radicaal genoeg voor de abstractie

Museum De Lakenhal toont het werk uit de Leidse periode van kunstenaar Hendrik Valk, tijdgenoot van De Stijl.

Hendrik Valk, Zelfportret, 1919. Gouage op papier. Collectie Museum de Lakenhal. Schenking van Else Valk, 2015.

Als zeventienjarige wist hij het. „Ik voelde komen het Rijzen der Roeping”, noteerde Hendrik Valk in 1914 in zijn dagboek tijdens een reisje naar de Veluwe. Hij zou „Kunstenaar en Priester zijn”. Valk (1897-1986) groeide op in Zoeterwoude, zijn vader was hoofdontwerper bij de zilverfabriek van Van Kempen in Voorschoten. Van 1912 tot 1916 volgde Hendrik Valk, die redelijk op de hoogte was van de ontwikkelingen in de moderne kunst doordat zijn vader geabonneerd was op de ‘kunstportefeuille’, de opleiding tot tekenleraar aan de kunstacademie in Den Haag. Maar hij voelde er niets voor om het onderwijs in te gaan. Valk zag zichzelf als een ziener, die tot taak had om uitdrukking te geven aan een visioen van een betere wereld. In 1917 betrok hij een deel van een oud boerderijtje aan het Posthoflaantje in Leiden, waar hij zich de komende tien jaar zou wijden aan een abstrahering van de zichtbare werkelijkheid, in een zoektocht naar „het wezenlijke in de natuur”.

Religie en kunst waren in deze vroege periode voor Valk zo ongeveer hetzelfde. Hij las Spinoza’s Ethica en liet zich inspireren door Het sieraad der Geestelijke bruiloft van de veertiende-eeuwse mysticus Johannes Ruusbroec. Valks zwaar-symbolische en pathetische Triptiek (1925) is er het meest extreme voorbeeld van. De vormen zijn vereenvoudigd en geabstraheerd, met een lineaire, geometrische compositie en monochrome vlakken in een gereduceerd palet.

Wat betreft de verheven ideeën over het kunstenaarschap stond Valk zeker niet alleen. Zijn Triptiek roept associaties op met het Evolutietriptiek van Mondriaan (1910/11), waarin Mondriaan theosofische ideeën over liefde en spiritualiteit heeft verwerkt. Valks Leidse collega Theo van Doesburg, oprichter van De Stijl, omschreef de kunstenaar ook al als priester, en dan wel een „aan wien wij het nieuwe leven danken!” Van Doesburg stapte in 1917 onverwacht het boerderijtje van Valk binnen, keek om zich heen en verklaarde: „Jij bent een van ons.” Valk bracht daarna een tegenbezoek aan Van Doesburg in diens atelier aan het Kort Galgewater. De twee lagen elkaar echter niet en Valk had een hekel aan groepsvorming en aan opgelegde ideologie. Ondanks de opvallende overeenkomsten in werk en opvattingen sloot hij zich niet aan bij De Stijl.

Museum De Lakenhal verzamelt werk van Valk uit zijn Leidse periode. Onlangs schonk Valks dochter, Else, twintig tekeningen en schilderijen aan het museum, na eerdere schenkingen van acht pastels en een zelfportret. De werken zijn gerestaureerd en nu op een tentoonstelling te zien. Veel werk van Valk is verloren gegaan tijdens het bombardement op Arnhem in 1944, waar hij in 1927 naar toe was verhuisd omdat hij er een baan kreeg aan de kunstacademie. Een aantal schilderijen uit de jaren twintig heeft hij in de jaren zestig opnieuw gemaakt, compleet met de oorspronkelijke door hemzelf gemaakte omlijsting, zoals Aardappelrooien. Van dit onderwerp, twee figuren knielend in het veld met een mand tussen hen in, bezit het museum drie versies: een meer realistische potloodschets, een geometrisch-abstracte studie van dezelfde voorstelling en een schilderij, waarbij de blokvormige figuren wit zijn uitgespaard in een donkergroen vlak, met naast hen een slagschaduw en een hoge strakke horizon. Het schilderij loopt door in de omlijsting, waardoor het een objectachtig karakter krijgt.

In 1917 maakte Valk na een maandenlang verblijf in een plaggenhut op de Veluwe een mooie reeks pastels die getuigen van een euforische natuurbeleving. Een grillig, hoekig patroon van zonlicht dat door gebladerte valt in sterke licht-donkercontrasten, en mozaïekachtige landschappen in gedetailleerde kleurrijke patronen in paarse, roze en groene tinten. Deze pastels, die doen denken aan het vroege werk van Mondriaan en aan de meer expressionistische Jacoba van Heemskerk, onderscheiden zich door het lossere, expressieve karakter.

Het is jammer dat er niet ook een paar latere schilderijen van Valk op de tentoonstelling te zien zijn, zodat het vroege werk in een breder perspectief kan worden gezien. Valk is tot aan zijn pensionering in 1962 docent in Arnhem gebleven. Hij vertelt in een gefilmd interview dat het lesgeven hem sterk heeft beïnvloed, doordat hij veelvuldig in aanraking kwam met werk van anderen. Ook wilde hij zich met zijn schilderijen „afreageren op de vreemde omstandigheden waar de wereld zich in bevond”, doelend op de Tweede Wereldoorlog. Schilders als Dolf Henkes en Carel Willink waren belangrijk voor hem, waarmee zijn werk de kant opging van een surrealistisch getint realisme.

Het werk van Valk is, streng gezegd, tweede garnituur. Het heeft ermee te maken, zo lijkt het, dat hij niet radicaal genoeg was en overal ‘tussen’ zat: hij wilde wel de geometrische abstractie maar zonder ooit de natuurbeleving of de band met de werkelijkheid op te kunnen geven. Daarmee hebben zijn vroege tekeningen en schilderijen iets naïefs en kinderlijks, ze zijn een soort mengeling van Bart van der Leck en Rie Cramer.

Toch levert het niet willen of kunnen kiezen soms juist mooie dingen op. Op de begane grond van De Lakenhal hangt, niet als onderdeel van de tentoonstelling, van de hand van Valk een klein olieverfschilderij getiteld Huisje te Wassenaar (1924). Voor het huisje staat een boom waarvan het bladerdak weergegeven is in kristallijnen patronen in heldere kleuren. De bladeren werpen in grijs een hoekig schaduwpatroon op de witte gevel. Schaduwwerking was voor Stijlkunstenaars absoluut uit den boze en zo’n beetje het tegendeel van alles waar zij voor stonden, maar dit is een prachtig schilderijtje in de vormtaal van De Stijl: een ode aan licht- en schaduwspel.

    • Janneke Wesseling