Man, man, man. Tom rijdt als een TGV

Na zijn tijdritzege is Tom Dumoulin de grootste kanshebber op de eindzege. Wielerlegende Jan Janssen keek verheugd mee.

Tom Dumoulin won gisteren de tijdrit in de Vuelta. Foto AFP

Terwijl Tom Dumoulin (24) zijn kin nog eens op zijn borst perst en diep in zijn schouders gezakt zo aerodynamisch mogelijk op zijn tijdritfiets zit wiebelt wielergrootheid Jan Janssen (75) op zijn luie stoel in zijn woonkamer. Sinds Dumoulin is gestart, wijkt Janssens blik niet meer van het televisiescherm. Zijn zwartleren slippers wiebelen aan zijn voeten, duim en wijsvinger wrijven in razend tempo langs zijn lippen en tikken dan weer ritmisch op zijn knieën.

De Vlaamse zender Sporza staat op, „die gasten bij de NOS kunnen er geen zak van”, en zijn favoriete commentatoren Michel Wuyts en José de Cauwer praten elke kilometer in enthousiastere bewoording over el holandés. Dumoulin is in het Spaanse Burgos op weg naar de leiding in het algemeen klassement van de Vuelta en de eerste Nederlandse winnaar van die ronde (in 1967) rijdt in gedachten met hem mee: „Man, man, hij rijdt als een TGV jongens, dit is onvoorstelbaar. Cora, zet jij de glazen vast klaar?”

„Nee Jan, jij zei vroeger altijd: ‘pas op de meet worden de prijzen verdeeld’”, antwoordt de vrouw die al 51 jaar als echtgenote naast Janssen staat en zijn grootste overwinningen – de Ronde van Spanje in 1967 en een jaar later de Tour de France – van heel dichtbij meemaakte. Ze zette de fles Cramant Infini eerder vandaag wel koud, maar de glazen gaat ze nog niet halen. Dat is de goden verzoeken en dat deed ze ook niet 48 jaar geleden, toen haar man drie dagen voor het eind van de Vuelta ook in een tijdrit het belangrijkste verschil op zijn concurrent Jean-Pierre Ducasse maakte. Janssen: „Ik won die tijdrit en een dag later was er grote paniek. De ETA had kraaienpoten gestrooid en iedereen reed lek. Iedereen, gelukkig, dus niks aan de hand.”

Janssen werd de eerste Nederlandse winnaar van de Vuelta. Alleen Joop Zoetemelk evenaarde die prestatie, twaalf jaar later. De grote vraag is nu: wordt de piepjonge Dumoulin de derde in dat rijtje?

Bij het eerste meetpunt in de tijdrit van Burgos is Dumoulin al de snelste van 167 renners. Janssen geniet van elke pedaalslag die de Limburger maakt. Met een Haags accent dat steeds platter wordt naarmate de spanning stijgt: „Kijk nou toch, hij zit als gegoten op zijn fiets. Geen zwabberbenen zoals Hennie Kuiper, en dat verzet, moet je kijken wat een geweldig verzet hij rond krijgt. Hij zit op veertien, vijftien. Ik had m’n handen vol aan dertien versnellingen.”

Na twintig minuten haalt Dumoulin Mikel Nieve in, de wielrenner die twee minuten voor hem startte. De linkervuist van Janssen gaat de lucht in: „Kijk, jongens, daar rijdt Anquetil. Het is precies Anquetil! Die rust, dat zelfvertrouwen. Een machtig wapen. Onvoorstelbaar.”

Vat buskruit

De Fransman Jacques Anquetil won in zijn loopbaan vijf keer de Tour de France, in de jaren voorafgaand aan de sterkste periode van Janssen. De Franse wielerlegende is bijna 28 jaar dood, maar Janssen blijft hem deze middag maar in herinnering roepen. „Die rust heeft die Dumoulin ook. Ik niet, o nee, ik was veel nerveuzer. Ik was een vat buskruit op de fiets, explosief, altijd onrustig, aan het schelden ook. Maar Anquetil niet. Nee, die ging gerust stappen en zat de dag daarna weer op zijn fiets. En winnen hè.”

Als Dumoulin op het korte klimmetje op zes kilometer van de finish uit het zadel moet en op de pedalen danst, wappert een Amerikaanse vlag van een toeschouwer vlak voor de Nederlander. Janssen springt op uit zijn stoel: „Opzouten jongens! Verdomme!” En als dat vals alarm bleek: „Pfff, blijf overeind vent.”

Of Dumoulin ook de rode leiderstrui veilig gaat stellen, blijft tot aan de finish van de Italiaan Fabio Aru spannend. De Nederlander rijdt met 50,5 kilometer per uur gemiddeld een vernietigende tijdrit (Janssen reed in 1967 44 per uur), maar Aru volgt op een futiele 3 seconden.

Janssen is er niet gerust op. Aru is in de etappes bergop die nog gaan komen normaal gesproken sterker dan Dumoulin. Maar Janssen weet wat een lonkende eindoverwinning in een grote ronde met het lijf van een renner doet. Hij won in 1968 in de slottijdrit rondom Parijs de Tour de France van de Belg Herman van Springel. „Je krijgt vleugels, echt waar.”

En dus is het strijdplan dat Dumoulin de komende dagen aan de dag moet leggen panklaar. De ijskoude champagne naar binnen klokkend: „Aan het wiel bij Aru en er niet meer af. Dan ben je er.”

    • Dennis Meinema