Klikdialect ontstaat door imitatie

Jonge potvissen leren hun dialect op dezelfde manier als apen en mensen leren

Foto Maurício Cantor

Elke potvisgroep klikt in zijn eigen dialect. Die dialecten ontstaan doordat potvissen napraters zijn: ze imiteren de klikgeluiden van andere potvissen. Het liefst leren ze van potvissen die op henzelf lijken, net als mensen. Dat concludeerden Canadese walvisbiologen dinsdag in Nature Communications, op basis van onderzoek aan wilde potvissen en met computersimulaties.

Potvissen (Physeter macrocephalus) zijn de grootste walvissen met tanden. Met krachtige kliks waarvan ze de echo opvangen lokaliseren ze hun prooi, vooral pijlinktvis. Maar potvissen communiceren ook met klikgeluiden. Als potvissen met elkaar optrekken, zenden ze vaste series van kliks uit, die een paar secondes aanhouden. „Dat klinkt een beetje als morse”, zegt Mauricío Cantor, promovendus aan de Canadese Dalhousie University.

Groepen potvissen hebben elk hun eigen vaste patroon van kliks. Per groep verschillen die in ritme, tempo en aantal kliks. Deze vaste, ritmische potviswijsjes worden door walvisbiologen ‘coda’s’ genoemd. Ze duren een paar seconden, heel anders en veel korter dan de bekende zwierige bultrugmelodieën die wel 30 minuten kunnen duren.

Een potvissamenleving bestaat uit twee lagen. Aan de basis staat de familiegroep, waarin kalveren samen met hun moeder, tantes en oma’s leven. Deze stabiele potvisfamilies mengen af en toe met andere families, bij voorkeur families die dezelfde coda zingen. Samen vormen die families een potvisclan.

Tot nu toe was het onduidelijk hoe die clans met hun eigen coda’s konden ontstaan. Potvissen van verschillende clans delen dezelfde wateren en komen elkaar voortdurend tegen. Hoe ontwikkelt een potvis dan een voorkeur voor bepaalde klikpatronen?

Maurício Cantor en zijn collega’s besloten om het ontstaan van clans in een computermodel te simuleren. Ze baseerden de eigenschappen van hun virtuele potvissen op potvissen die rond de Galapagoseilanden voorkomen. Walvisbiologen volgen deze potvissen al dertig jaar. Aan de hand van de littekens en inkepingen op staartvinnen herkennen ze individuele potvissen. Met onderwatermicrofoons nemen ze hun echo’s op.

Het team van Cantor rekende twintig verschillende scenario’s door. De ene keer vond elk virtueel kalfje zijn eigen coda uit, dan weer erfden ze die van hun moeder, of leerden potvissen coda’s vooral van elkaar.

Alleen bij die laatste groep ontstonden er groepen met afwijkende dialecten, onder bepaalde voorwaarden. De gesimuleerde potvissen zijn conformistisch: ze imiteren de coda’s die ze het vaakst horen. En ze leren niet zomaar van iedereen, maar alleen van de potvissen die min of meer hetzelfde gedrag vertonen. „Apen en mensen leren op dezelfde manier”, zegt Cantor. Eerder dit jaar liet Cantor al zien dat de potvissen van twee Galapagos-clans zich ook anders gedragen (Marine Mammal Science, 2 april 2015). Potvissen uit de ene clan duiken bijvoorbeeld vaker synchroon dan dieren uit een andere clan.

Cantor heeft groot vertrouwen in de resultaten van zijn simulaties. „Een computermodel blijft altijd een benadering van de werkelijkheid”, zegt hij, „maar dit is zoveel mogelijk gegrond in de werkelijkheid. We kunnen nu eenmaal geen experimenten met echte potvissen doen.”

Zijn de verschillen in gedrag en dialect groot genoeg om te spreken van verschillende potvisculturen? „Ik denk het wel. Menselijke cultuur is natuurlijk symbolischer en cumulatief. Maar wij laten zien dat bij deze dieren in een compleet andere omgeving, zonder grenzen of vaste territoria, op dezelfde manier culturele verschillen kunnen ontstaan als bij mensen.”

Cantor denkt niet dat hij het culturele leven van de potvis nu begrijpt. „Als potvissen duiken, blijven ze soms wel 40 minuten onder water. We weten nauwelijks wat ze dan uitspoken, wij observeren ze alleen als ze aan het wateroppervlak komen. Dat is een klein deel van hun lange leven.”

    • Lucas Brouwers