Infiltratie gelukt, gegevens weg

Op Facebook deed een ICT’er zich voor als jihadi, in opdracht van de politie. Maar wat hij schreef, is niet bewaard.

Eén van de berichten van de politie-infiltrant die zich voordeed als Abou Noewas
Eén van de berichten van de politie-infiltrant die zich voordeed als Abou Noewas Foto Facebook

Op een woensdagochtend in februari 2014 klapt een 27-jarige internetsurveillant zijn computer open. De man logt in op Facebook en plaatst een foto van een bebloede camera, met de tekst: „Half of jihad is media.” Erboven staat in het Engels dat iedere moslim jihad kan voeren door sociale media te gebruiken: „Het kost heel weinig middelen, weinig moeite, maar de beloning is enorm.”

Zo gaat de surveillant, een ICT’er in dienst van de politie, iedere ochtend te werk. In opdracht van het Openbaar Ministerie (OM) plaatst hij een jaar lang radicale teksten op Facebook onder de naam ‘Aboe Noewas’. Alleen op werkdagen, niet in het weekend.

Het doel: Facebookvrienden worden met de jihadverdachten die het OM onderzoekt. Het lukt Aboe Noewas in elk geval vrienden te worden met de vermeende ronselaars Soufiane Z. en Azzedine C. Hierdoor kan de politie lezen wat zij op hun persoonlijke Facebookprofielen schrijven. Van hun extreme uitingen worden kopieën gemaakt en in het strafdossier gevoegd. De politiesurveillant vergeet echter één ding: hij slaat zijn éigen teksten niet op.

Nu het strafdossier is afgerond, het bewuste nepprofiel is afgesloten en het proces tegen de vermeende jihadronselaars is begonnen, komt het OM erachter dat de informatie weg is. Dat kan gevolgen hebben voor het verloop van de rechtszaak. Zo is de jihadistische foto van de camera die de agent postte in het strafdossier gekomen, omdat de verdachten de foto hebben hergebruikt met een soortgelijke tekst erbij. Advocaten kunnen niet controleren of ook ándere Facebookuitingen van de verdachten zijn ‘uitgelokt’ door de politie.

De infiltratieactie was nog wel zo goed voorbereid. Om zijn rol als internetjihadist zo goed mogelijk te spelen, laat de surveillant zich adviseren door een geheime terrorisme-afdeling van de Amsterdamse politie. De ICT’er, die zelf geen Arabisch spreekt, wordt geholpen bij het kiezen van de juiste islamitische teksten en symbolen voor zijn pagina. Hij plaatst ook Arabische teksten en video’s – met behulp van een tolk. Het onderzoeksteam wijst aan welke Facebookaccounts hij moet opzoeken, opslaan en met wie hij bevriend moet raken.

Juridisch lijkt de actie goed afgedekt: de officier van justitie heeft toestemming gegeven voor het aanmaken van een vals Facebookprofiel. „Om in de betrokken groep geloofwaardig te kunnen opereren, was het noodzakelijk om ook zelf bijdragen te delen”, zegt een OM-woordvoerder.

Infiltratie door de politie ligt gevoelig door een aantal gevallen waarin het fout ging. Agenten mogen onder dekmantel opereren, maar moeten voorkomen dat zij strafbaar gedrag uitlokken, of zich zélf crimineel gaan gedragen. Dat laatste gebeurde in de IRT-affaire in de jaren negentig, waarin infiltranten gingen handelen in harddrugs en er zelf geld aan verdienden. Dankzij de Wet verruiming mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven mag justitie eerder infiltratie inzetten als bijzondere opsporingsbevoegdheid.

Hoe ver de infiltratie in het geval van de Haagse jihadverdachten mocht gaan, is niet helemaal duidelijk. Zeker is dat de agent geen strafbare feiten mocht begaan – maar hij deelde in elk geval één foto die mogelijk opruiend van aard is. Bovendien stuurde de agent vriendschapsverzoeken aan de verdachten terwijl hij alleen de bevoegdheid had vriendschapsverzoeken te accepteren.

Dan is er nog een besloten Facebookgroep waarin de verdachten met elkaar discussieerden over de jihad: ‘werkgroep Shaam’. Op mysterieuze wijze heeft de politie toegang gekregen tot deze groep. De agent zegt dat hij het niet was, terwijl hij de enige Facebook-infiltrant in het onderzoek zegt te zijn. Waren er meer agenten incognito aanwezig op Facebook? Was het de geheime dienst AIVD die de informatie doorspeelde?

Zolang niet duidelijk is hoe de politie aan haar informatie komt, vindt advocaat Tamara Buruma het bewijs onrechtmatig en mag het volgens haar niet worden gebruikt in de strafzaak. Facebook-uitingen van de zogeheten ‘ronselverdachten’ vormen een aanzienlijk deel van het bewijs dat het OM tegen de groep heeft.

Om zeker te zijn dat het kwijtgemaakte materiaal geen rol gaat spelen in het mega-jihadproces dat deze week is gestart, heeft het OM het hoofdkantoor van Facebook gevraagd om het gesloten politieaccount zo snel mogelijk op te sporen. Meestal gaat daar langere tijd overheen. Als het OM over ruim een maand haar strafeis bekendmaakt, wordt duidelijk of de politie heeft kunnen achterhalen wat zij zelf op Facebook heeft achtergelaten.