Hij rustte niet voor hij zo veel mogelijk mensen had bereikt

Joost Zwagerman (1963-2015)

Zwagerman schreef en zoog zich vol. Hij wilde zo veel mogelijk mensen betrekken bij wat hij in het leven de moeite waard vond. Dat deed hij in romans, gedichten en steeds meer in essays.

Dat de nagedachtenis van de op 51-jarige leeftijd overleden Joost Zwagerman voor eeuwig aan het thema ‘zelfmoord’ gekoppeld zal zijn, is van een pijnlijke onrechtvaardigheid. Want als Zwagerman vanaf het begin van zijn loopbaan één ding deed, was het anderen betrekken bij wat hij in het leven de moeite waard vond. Of het nu poëzie was, Amerika, het korte verhaal, postmodernisme, populaire cultuur, muziek of – zeker de laatste jaren – beeldende kunst: Zwagerman zoog zich vol en rustte niet voor hij zo veel mogelijk mensen had bereikt.

Hij was onophoudelijk op jacht naar de tijdgeest en naar de wijze waarop hij die kon verbinden met helden uit vroeger tijden. Dat heeft een uitgesproken veelzijdig oeuvre opgeleverd, waarin Zwagerman minstens zoveel ruimte gaf aan zijn eigen verbeelding als aan het aanprijzen van de grootsheid van anderen.

In dat oeuvre was zelfmoord aanwezig, niet alleen als persoonlijk maar ook als literair thema. In zijn roman Zes sterren schreef Zwagerman: „Dood door zelfmoord is niet te verdoezelen met geparfumeerde nagedachtenis. Iemand die het op een akkoordje met de dood heeft gegooid slaat de achterblijvers het zelfsussende ach en wee uit handen. En dus hebben ze het er liever niet over.” Het is een van de talloze citaten van Zwagerman over zelfdoding en depressie die hun weg vinden in de media, sinds zijn zelfgekozen dood bekend werd gemaakt.

Steeds weer verzette Zwagerman (getekend door de zelfmoordpoging die zijn vader deed) zich tegen het romantiseren van het verlangen naar zelfdoding of ‘de zwarte kant van de kunstenaar’. Onophoudelijk pleitte hij voor hulp aan mensen met psychische ziekten. In retrospectief zijn die teksten verworden tot een even lange als vergeefse bezwering.

Met een klap de letteren binnen

Zwagerman (geboren op 18 november 1963 in een katholiek Alkmaars gezin) maakte met een klap zijn entree in de Nederlandse literatuur, of liever met een reeks klappen. De student Nederlands debuteerde in 1986 met de roman De houdgreep, maar kreeg grote bekendheid met Gimmick! (1989), de roman waarmee hij zijn lezers meevoerde naar de cokebestoven Amsterdamse kunstscene van de jaren tachtig. „In Gimmick! wordt slagvaardig een milieu geportretteerd dat in de Nederlandse literatuur nog niet bestond”, constateerde criticus Arnold Heumakers. Maar het werkte ook andersom. Met generatiegenoten als Ronald Giphart en Herman Brusselmans slaagde hij erin een groot, en vooral veel jonger publiek te trekken dan zijn voorgangers.

Intussen had Zwagerman ook naam gemaakt als dichter met de bundel De ziekte van jij (1988) en als voorman van De Maximalen, de dichtersgroep die probeerde een plaats te veroveren in het niet altijd even dynamische Nederlandse poëzielandschap. En hij ging stukken schrijven, onder meer voor NRC Handelsblad. Zijn essays vielen op door hun openheid en toegankelijkheid, door hun liefde voor populaire cultuur en popmuziek: Zwagerman was een van de eerste schrijvers die zich uitputte in stukken om duidelijk te maken waarom popster Madonna méér was dan een alledaags zangeresje. Hij werd met Roel Bentz van den Berg, Martin Bril en Pieter Steinz redacteur van het ‘literaire poptijdschrift’ Payola.

De Maximalen kregen erkenning als dichters, maar Zwagerman ging zich in de jaren negentig vooral op fictie richten – en zorgde voor opschudding. Zo gaf hij een bekende televisiepresentator een bijrol als hoerenloper in Vals licht en werd zijn ‘multiculturele’ roman De buitenvrouw inzet van een debat met Anil Ramdas over de ‘witheid’ van de Nederlandse literatuur. Hij was korte tijd presentator van een cultureel radioprogramma, een ervaring die hij verwerkte in Chaos en Rumoer (1997). Ook dat boek leverde hem de toorn op van mensen die zich erin herkenden. Inmiddels wordt het veelal beschouwd als Zwagermans beste roman.

Na Zes sterren (2002), een roman die zijn oorsprong vond in de zelfmoordpoging van zijn vader, publiceerde Zwagerman nog amper fictie. Het Boekenweekgeschenk van 2010, Duel, vormde de uitzondering.

Zwagerman bleef wel steeds gedichten schrijven en publiceren, waarbij hij met name bewondering oogstte met Roeshoofd hemelt uit 2005. Ilja Leonard Pfeijffer schreef dat het ‘Zwagerman op zijn best’ was: „In zijn […] vrije verzen is Zwagerman buitengewoon exuberant, vindingrijk en heftig. Turbotaal, citaten, verhaspelingen, verhaspelingen van citaten in turbotaal, alles buitelt met enorme vaart over elkaar heen.” Over de dood van zijn personage dichtte Zwagerman:

de val in het graf voelt als een feest

de beproevingen hebben zin gehad

je bent nooit anders dan dood geweest.

Duizend pagina’s essayistiek

Zeker na de aanslagen van 11 september 2001 voelde Zwagerman steeds nadrukkelijker de roep van de wereld. Hij schreef een pamflet over zijn teleurstelling in de Partij van de Arbeid en had een tweewekelijkse column in NRC Handelsblad. Twee jaar lang presenteerde hij het programma Zomergasten. Daar ontving hij de politica Ayaan Hirsi Ali, die er de film Submission toonde, de aanleiding voor de moord op de maker Theo van Gogh in november 2004.

Zwagerman legde zich gaandeweg meer en meer toe op de essayistiek. Hij probeerde het genre te stimuleren door de publicatie van een meer dan duizend pagina’s dikke bloemlezing: De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays (2008). Het aanprijzen van anderen vormde ook het hart van stukken waarin Zwagerman zijn liefde voor beeldende kunst steeds nadrukkelijker ging uiten. Zijn overvolle en enthousiasmerende ‘kunstcolleges’ maakten hem tot vaste gast in het televisieprogramma De Wereld Draait Door.

In zijn Kellendonklezing van 2006 betoogde Zwagerman dat er in de Nederlandse literatuur, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Amerikaanse, nog altijd een „quarantaine” heerste die de maatschappelijke actualiteit uit de letteren dreigde te bannen. „De literaire quarantaine moet worden opgeheven. Door de afschaffing ervan is de kans groter dat in Nederland een literatuur kan bloeien waarin geen enkel onderwerp en geen enkele verzinnebeelding op voorhand tot minderwaardig of ‘verkeerd’ wordt verklaard.” Zijn analyse werd betwist, maar de lezing gaf een feilloos beeld van Zwagermans eigen poëtica: hij wilde de hele wereld in zijn werk hebben.

Stukken schrijven die hem optilden

De laatste jaren liet hij de actualiteit vaak voor wat die was. „Ik wilde liever stukken schrijven die me optilden. Dan kun je beter over Bach, Rothko en Vermeer schrijven”, zei hij drie jaar geleden tegen een interviewer van de Volkskrant.

De publicatie van zijn verzamelde essays over Amerikaanse cultuur in twee delen (Americana), vervulde hem met grote trots: het boek liep van Ginsberg en Roth tot Updike, Bellow, Franzen en de filmer Tarantino.

Gisteren zou zijn laatste essaybundel bij De Arbeiderspers (De stilte van het licht. Schoonheid en onbehagen in de kunst) feestelijk worden gepresenteerd. Dinsdagavond zou Zwagerman te gast zijn bij het programma Opium op Radio 4. Hij had al een playlist ingeleverd. Daarop was ‘Media vita in morte sumus’ van Orlandus Lassus lang niet het enige nauw met de dood verbonden stuk. Bij afwezigheid van de hoofdgast lieten de programmamakers een deze zomer opgenomen gespreksfragment horen.

Zwagerman zei: „Bach is mooier dan de wereld.”

    • Sebastiaan Kort
    • Arjen Fortuin