Column

En dan toch

Het satanische toeval wilde dat ik deze week juist in een boek over zelfmoord zat te lezen, toen het bericht over de dood van Joost Zwagerman me bereikte. Dat boek was Ik wil nooit vergeven worden, brieven van Ted Hughes, de Engelse dichter over wie Connie Palmen nu een roman heeft gepubliceerd.

Hughes laat je in enkele brieven indringend voelen wat het voor een nabestaande betekent op die manier iemand te verliezen. Kort nadat zijn vrouw, de dichteres Sylvia Plath, zelfmoord heeft gepleegd, schrijft hij aan vrienden: „Ik was degene die haar had kunnen helpen, en de enige die niet zag dat ze die hulp deze keer echt nodig had. Geen twijfel mogelijk wie schuld treft.”

En aan haar moeder Aurelia: „Ik wil nooit vergeven worden. Ik bedoel niet dat ik een openbare tempel van rouw en wroeging zal worden, eerder het tegendeel. Maar als er een eeuwigheid is, ben ik daarin verdoemd.”

Hughes wist dat zijn vrouw depressief kon zijn en dat ze al eerder zelfmoord had proberen te plegen – maar desondanks werd hij volledig verrast toen ze het werkelijk deed. Ze schreef immers weer, ze verdiende goed, kreeg allerlei opdrachten en goede besprekingen van haar roman – maar toch…

Dezelfde verbijstering overheerst na de zelfmoord van Zwagerman. Het was bekend dat hij depressies had, hij zegde in het voorjaar optredens in theaters en op tv af, maar hij bleef op andere fronten actief als altijd: schrijven in de krant, de publicatie van een nieuw boek, de beloofde presentatie van andermans boek. Hij hoefde zich geen miskend schrijver te voelen, want hij had gedurende zijn hele carrière genoeg succes. Hij straalde ook vaak juist een grote gretigheid uit om aan het leven deel te nemen.

Hij heeft veel over zelfmoord gesproken en geschreven, waarbij hij steeds terugkwam op de zelfmoordpoging van zijn vader. De Vlaamse schrijver David van Reybrouck ontving nog vorige week een bevestigende mail van hem: op 29 september zouden ze samen spreken op een bijeenkomst in Amsterdam over zelfdoding. „En dan toch”, schrijft Van Reybrouck machteloos.

En dan toch. Van zo iemand kunnen wij ons eenvoudig niet voorstellen dat hij zelf ook dood wil – dat hij aan niemand meer enige boodschap heeft, laat staan aan zichzelf.

Jeroen Brouwers schreef in 1983 een dik, boeiend boek over de vele zelfmoordenaars onder de (Nederlandse) schrijvers: De laatste deur.

Op pagina 362 schrijft hij: „Het raadselachtige van zelfmoord. Opeens en onverwijld doet iemand zichzelf de dood aan,- kennelijk zonder daarmee nog één dag, of zelfs maar de tijdsspanne die het duurt om één sigaret te roken, te kunnen wachten. Hij moet er op ingesteld zijn geweest en hij moet er zijn voorbereidingen voor hebben getroffen, en toen kwam, misschien jaren later, het ogenblik dat hij moet hebben gezegd: ‘Nu!’ Voor de nabestaanden valt hieraan niets te begrijpen, want het is onbegrijpbaar, en om er de zelfmoordenaar naar te vragen is het te laat.”

In het vacuüm van de onbegrijpelijkheid ontstaat het schuldgevoel bij de nabestaanden. Maar onderschat ook niet het schuldgevoel bij degene die de laatste stap zette. In het boek van Brouwers staat een afscheidsbriefje van Jan Emiel Daele aan een vriend. Daele schrijft: „Ik heb spijt, ik ben schuldig, maar ik heb dikwijls mijn best gedaan, en nu hoeft geen enkele boete meer, geen enkele pijn.”