Column

Woorden zijn wapens, kokende olie, geweren

Dit zijn de dagen van de grote woorden. Oliver Sacks vond dat taal al het verschil maakte. „Taal”, schreef hij in Seeing Voices, „is niet gewoon een of andere kunde of vaardigheid – het is datgene wat denken mogelijk maakt, wat denken onderscheidt van niet-denken, het menselijke van het niet-menselijke.” Ja, roep je dan als lezer en schrijver, zo is het! Alleen al daarom, om de nieuwe taal die ons in de schoot wordt geworpen, is het een genot om te beseffen hoeveel geweldige boeken ons bij de opening van dit literaire seizoen opwachten. Zonder taal geen denken, dat motto zou eigenlijk in iedere klas moeten hangen.

Maar taal is ook een valkuil, van het hart en van het hoofd. Bijna alle woorden kunnen iets anders betekenen, of zelfs omslaan in hun tegendeel. Wat bedoelt degene die zegt: ik houd van je, ik haat jullie, wees welkom of donder op? Taal is gebonden aan tijd en plaats, aan individuele emoties en conventies. Schrijvers zijn misschien wel de grootste bedriegers, in ieder geval de grootste manipulatoren, want dat is hun vak. In het interview in deze krant naar aanleiding van haar boek Jij zegt het (de woorden van Jezus tegen Judas; precies, dit is de tijd van de grote woorden), verklaart Connie Palmen dat de schrijver het woord weer ambigu maakt, dubbelzinnig, twijfelachtig. Ze zegt „weer” , alsof gewone mensen woorden eenduidig gebruiken, maar eigenlijk zijn bijna alle uitspraken ambigu. Daarom ontstaan ook zoveel misverstanden in e-mails en sms’en, omdat de ambiguïteit niet kan worden geduid of verzacht door een blik of gebaar, zoals in een gesprek. Woorden maken ons menselijk, maar daarmee begint pas het dilemma van onze menselijkheid, de niet-aflatende gevechten over de juiste interpretaties van bedoelingen. Over woorden en de rechten die daaraan ontleend werden, zijn oorlogen uitgevochten. Relaties en regeringen zijn uiteen gevallen over een woord. Woorden mogen diepmenselijk zijn, ze zijn niet voor de weekhartigen.

Woorden zijn wapens, kokende olie, machinegeweren. Het heetst van de strijd kent de grofste metaforen. De ontmenselijking van de tegenstander begint met woorden als ‘ongedierte’, het gele gevaar. Daarom is een term als ‘tsunami’ zoals Geert Wilders die vorige week bezigde om de stroom asielzoekers aan te duiden, meer dan laakbaar. De associatie met een dodelijke, ontoombare vloedgolf is onmiskenbaar. Maar hoe vaak gebruiken ook kwaliteitsmedia de term ‘stroom’ of ‘golf’?

Willen we tot een zinnig debat komen, dan moeten woorden ontdaan worden van hun lading of moet die expliciet worden, en ingebed worden in argumenten. Zoals Arnon Grunberg stelde in de Volkskrant (5/9) worden discussies niet door feiten maar door emoties beslecht. Feiten en emoties zijn onvoldoende, zoals de klassieke retorica al wist: naast pathos en logos is ook ethos (moraal) nodig. Gezamenlijk maken zij ons menselijk.

Maar er is nog een vierde element, dat evenzeer tot ons menselijke arsenaal behoort: cijfers. Cijfers zijn niet intrinsiek ambigu, hoogstens fout of onzeker door foute metingen of ramingen. Natuurlijk, ook cijfers worden verkeerd geïnterpreteerd, zeker door wie de orde van grootte niet kent. En ze worden net als woorden naar hartelust misbruikt of niet gecorrigeerd. Aan cijfers, zeker bij een debat over vluchtelingen, kleeft het stempel kil en onmenselijk. Dat moet veranderen. Cijfers Zijn onmisbaar. Oliver Sacks zou het er vast mee eens zijn dat cijfers net als taal ons denken mogelijk maken, onze argumenten structureren. Niet alleen woorden, ook cijfers maken ons menselijk. En met cijfers weerleggen we definitief een absurde term als ‘tsunami’.