‘Wie zal zich over mij ontfermen?’

Op 5 oktober 2002 fulmineerde Zwagerman in deze krant onder de kop ‘Zelfmoord op bestelling’ tegen het ‘recht op zelfmoord’. Zes fragmenten uit dit artikel.

Joost Zwagerman, nadat hij de Gouden Ganzenveer uitgereikt heeft gekregen in het Concertgebouw in Amsterdam, 2008. Foto OLAF KRAAK/ANP

„Een van mijn beste vrienden lijdt al jaren aan een chronische depressie. Al zo lang als ik hem ken, en dat is achttien jaar, slikt hij daar medicijnen tegen, variërend van kalmerende middelen en antidepressiva tot antipsychotica. Drie jaar geleden verergerde zijn depressie. Dwars door zijn medicatie heen braken zelfmoordgedachten door waartegen mijn vriend nauwelijks nog verzet kon en wilde bieden. In betrekkelijk korte tijd wist hij zich definitief van al zijn zekerheden beroofd, behalve van het voor hem onwrikbare gegeven dat hij niet meer verder kon leven. Mijn vriend werd voor maanden opgenomen in psychiatrische afdelingen van ziekenhuizen en onderging tal van behandelingen, waaronder een elektroshocktherapie.

Wanneer ik hem opzocht, wilde hij vrijwel alleen maar praten over zijn ideale manier van sterven: naar Siberië afreizen en daar doodvriezen.

In de praktijk haalde mijn vriend de dichtstbijzijnde bushalte niet eens meer. Hij was nauwelijks nog in staat te bewegen, te eten, te drinken, te slapen. Artsen verklaarden hem in de loop van de tijd onbehandelbaar, ook nadat hij was verpleegd in een particuliere kliniek in Duitsland. Ook daar bezocht ik hem en merkte ik telkens dat hij zich allang niet meer bezighield met de vraag of het leven de moeite waard was. Belangrijker was voor hem de onweerlegbare conclusie dat hij het niet meer waard was om in leven te zijn.”

„Toen Martin van Amerongen over zijn dodelijke ziekte schreef, citeerde hij Shakespeare: ‘Nooit komen rampen eenzaam als verspieders’. Dat kwam me bekend voor. Omstreeks dezelfde tijd dat mijn vriend dood wilde, kreeg ik toen ik thuiskwam van een vakantie te horen, dat mijn vader was opgenomen op de intensive care. Hij had een zelfmoordpoging gedaan, was bij toeval en op het laatste moment gevonden, door mijn moeder, van wie hij niet lang daarvóór was gescheiden.”

„Minstens zo belangrijk was deze overweging: als ík me er niet toe zet hem af te houden van een zelfmoord, van wie kan en mag ik dan nog verwachten zich over míj te ontfermen, zodra ik om een of andere reden in dezelfde positie kom te verkeren als waar hij nu in terecht was gekomen? Heden gij, morgen ik.”

„Niemand die om redenen van depressie dood wil, zit te wachten op vrienden en familieleden die je bezweren dat het leven toch ook zo mooi kan zijn. Intimi en artsen hoeven heus niet als bij toverslag te veranderen in bedilzieke zielenherders die een pastorale Lebensbejahung van stal halen. Maar zolang er geen garantie bestaat – en die bestaat nooit – dat een door langdurige en zelfs ‘onbehandelbare’ depressie gevelde kandidaat-zelfmoordenaar niet ooit in de toekomst zal zijn verlost van zijn doodswens, is het wreed en hovaardig om andermans autonome domein van leven en dood te betreden.”

„Ik ben kind van een zelfmoordenaar wiens poging niet slaagde. Met dat naakte gegeven beland je in statistieken die niet mis zijn. Kinderen van een vader of een moeder die ooit een zelfmoordpoging ondernam, lopen 64 keer vaker dan het gemiddelde de kans om chronisch depressief te raken. Verder plegen die kinderen op hun beurt 17 keer vaker dan ‘normaal’ zelfmoord.”

„Ik wil er alleen mee verduidelijken dat het op termijn onvermijdelijk is dat je je, in de omgang met kandidaat-zelfmoordenaars die je na staan, niet alleen tegen hun doodswens keert, maar dat je je er op bepaalde momenten ook mee identificeert, al was het maar om de helse kloof tussen jou en de ander te slechten. Mijn vriend én mijn vader betraden destijds een terrein waar ik een hoog hek omheen plaats. Maar ik zou liegen als ik zei dat het terrein mij onbekend is.”