Column

Stokebrandje Felix

‘Mag ik je even scherp houden?”, vroeg ik mijn vrouw, „dat doen jullie toch zo graag in die partij van jou?” Ze knikte, want ze wist meteen wat ik bedoelde: de recente interviews waarin PvdA-prominenten elkaar én hun partij toeblaffen. Voorzitter Spekman die zijn minister Bussemaker terechtwijst („Ze zit in het kabinet te veel aan de kant van de VVD”), Felix Rottenberg die Samsom „de bedrijfsleider van het kabinet” noemt en laat merken dat hij Asscher geschikter vindt als lijsttrekker.

Rottenberg is niet zomaar een partijprominent, hij leidt de selectiecommissie die kandidaten voor de Tweede Kamer zoekt en ook het profiel van de lijsttrekker maakt. Nogal een stokebrandje, die Rottenberg, hield ik mijn vrouw voor. „Hoezo?”, vroeg ze meewarig.

Rottenberg mag graag een, al dan niet voormalige, partijprominent afbranden, roddelde ik. Ik verwees naar de recente tv-documentaire over Wim Kok, waarin Rottenberg gniffelend vertelt dat hij nog steeds niet genoeg kan krijgen van de tv-beelden waarop Ad Melkert tegen Pim Fortuyn onderuitgaat; niet zo aardig voor Melkert die net weer een beetje probeert op te krabbelen in zijn partij.

Ook herinnerde ik me nog de keren dat Rottenberg met een sceptisch gezicht als politiek commentator bij De Wereld Draait Door de poten onder Job Cohens stoel wegzaagde. Trouwens, al in 1993 kantte hij zich tegen fractievoorzitter Thijs Wöltgens. En nu weer tegen Samsom, die op Rottenbergs affront niet meer wist te zeggen dan: „We houden elkaar wel vaker scherp in onze partij.”

„Het gaat mij verder niet aan”, zei ik, „maar ik zie een patroon en ik vraag me weleens af: Felix controleert de partij, maar wie controleert Felix?”

„Maar hij legt nu wel de vinger op de zere plek”, zei ze, „namelijk dat de partij het niet redt als ze zó doorgaat.”

„Vorig jaar, na de laatste verkiezingsnederlaag, heb ik je geadviseerd: laat Samsom aftreden, hij is te gehavend. Maar daar wilde je toen niet aan. Rottenberg in zijn column in Het Parool trouwens ook niet.”

Ze schudde bedroefd het hoofd. „We zijn nu een jaar verder en het wordt steeds uitzichtlozer – kijk naar die vreselijke peilingen. Er móét iets gebeuren.”

„Maar wát?” vroeg ik, al even retorisch. „Tekent zich al zoiets als een koers af waarover jullie het eindelijk onderling eens zijn?”

Er viel een nogal pijnlijke stilte. „We staan nu te dichtbij de VVD”, zei ze ten slotte, „dat is moordend voor de geloofwaardigheid.”

Ik begon voorzichtig uit te leggen dat ik steeds minder begreep van die koers. Ga maar na. Eerst wilde Cohen, samen met Spekman, de steven wenden naar de SP; daarop volgde een felle, openlijke correctie door Frans Timmermans die het een heilloze weg vond. Vervolgens kwam Samsom die in een vloek en een zucht een coalitie met de VVD regelde, een partij die hij eerder fanatiek had bestreden. En nu zou de partij weer een scherpe draai naar links moeten maken.

„Het kan aan mij liggen, maar het duizelt me”, zei ik.

„Toch heeft de partij geen andere keus. Asscher moet Samsom opvolgen – en natuurlijk vóór de volgende verkiezingen. Wie anders?”

Ik knikte. „Maar als de indruk onstaat dat Asscher in het zadel wordt geholpen door zijn vriend Rottenberg lijkt me dat geen gelukkige start.”

„Ik zal het de heren doorgeven”, zei ze effen.