Lingua latina non mortua sed renata *

Voor gymnasiasten betekende Latijnse les rijtjes met woorden in je hoofd stampen. Op de zomerschool van Addisco leer je de taal ook écht spreken. De lessen zijn volledig in het Latijn.

Ik ben geen leraar, geen gymnasiast en heb geen universitaire achtergrond”, zegt Bianca Wolf lachend. „Maar toch ben ik hier.” Hier, dat is: bij de Addisco Zomerschool Latijn: „Leer Latijn als een Romein door totale Latijnse onderdompeling.” Wolf zit samen met 21 medecursisten in een eenvoudig hotelzaaltje, op een warme zomerdag. Zestien docenten klassieke talen en zes belangstellenden. Het is inmiddels dag vijf. Wolf: „Ik geniet. Ik ben helemaal gek van Latijn: van de klank van de woorden, van de zinsopbouw, hoe het doorwerkt in de Nederlandse taal.” Wolf raakte door haar hobby tuinieren geïnteresseerd. Nu snapt ze de Latijnse namen van planten beter. „Een magnolia grandiflora heeft dus grote bloemen.”

Het ochtendgedeelte loopt ten einde. De twee docenten Casper Porton van Addisco en zijn collega Roberto Carfagni uit Italië leiden de discussie. Voertaal is Latijn. Het gaat over een zwart schaap, een wolf, en een herder. Bene klinkt het regelmatig, wanneer een deelnemer antwoord geeft. Dan is het tijd voor de lunch. De meeste deelnemers schakelen terug naar hun moedertaal, hoewel er nog regelmatig een quaeso (alsjeblieft) en gratias tibi (dankjewel) doorheen slipt. Casper Porton legt uit: „De methode die ik gebruik om mensen Latijn te leren is gebaseerd op de theorie over taalverwerving van de Amerikaanse linguïst Stephen Krashen. Het lesboek Lingua Latina per se illustrata van de Deen Hans Ørberg sluit daarop aan. Dat is volledig in het Latijn. Door de illustraties en gebruik van synoniemen begrijp je het Latijn meteen, zonder dat je eerst de grammatica hoeft te leren. De zogenaamde „onbewuste taalverwerving” waar Krashen het over heeft.

Bianca Wolf knikt instemmend: „Je gaat toch ook niet aan een baby’tje uitleggen wat een lijdend voorwerp is en een onderwerp. Die begint ook gewoon te brabbelen en na te praten wat hij hoort.”

Manere? Oh, je bedoelt ‘blijven’

Het is niet zo dat er helemaal geen grammatica voorkomt in het lesboek van Ørberg. Ook hier staan achterin alle rijtjes. Alleen leer je het Latijn niet vanuit de grammatica, maar vanuit de taal zelf.

Comprehensible input is de didactische term die Porton noemt. Leerlingen worden bij het verwerven van een tweede taal helemaal in de taal ondergedompeld. Voorwaarde is dat ze altijd kunnen begrijpen wat de leraar zegt. Dat wil niet zeggen dat een docent alleen woorden kan gebruiken die zijn leerlingen kennen. Juist door uitleg te vragen en het nog een keer op een andere manier te horen wordt het begrip groter en blijft de betekenis beter hangen. Porton demonstreert dit keer op keer. Wanneer een cursist vraagt wat het werkwoord manere betekent, begint hij eerst woest te blaffen en zegt dan: „Non! Mane, canis!” En tussen neus en lippen door vertelt hij dat het geluid dat hij net maakte latrare is in het Latijn.

Als docent klassieke talen met twintig jaar ervaring wist Bianca van der Aa natuurlijk wel dat manere ‘blijven’ betekent, maar ook zij leert heel wat bij. „Doordat je het Latijn nu spreekt, let je ook op de lengte van de klanken. En dan kom je erachter dat lengteverschil ook een verschil in betekenis geeft.” Van der Aa is zo enthousiast over de methode van het levende Latijn dat ze overweegt het op haar school in te voeren.

Alleen is ze nog onzeker of haar actieve kennis van het Latijn wel groot genoeg is. Volgens Casper Porton mag dat dat geen belemmering zijn. „Uiteindelijk is het doel van deze methode niet dat je Latijn zo leert spreken als de beroemde redenaar Cicero. Je kunt gewoon korte zinnen gebruiken. Het doel is dat je door de taal actief te spreken een beter begrip krijgt van het geschreven Latijn.”

Gymnasiaste Hanneke Schroten gaat dit schooljaar eindexamen Latijn doen en merkt nu al verschil. „Ik heb hier geleerd naar de zin als geheel te kijken. Ik zocht altijd heel veel woordjes op in het woordenboek. Pak je de verkeerde betekenis voor het eerste woord, loopt je hele zin in de soep.”

Het geploeter van de leerlingen deed het Cygnus gymnasium in Amsterdam vorig jaar besluiten over te stappen op de methode van Ørberg. Docent klassieke talen Eric Schneijders: „Het rendement van uur in uur uit, jaar in jaar uit traditioneel vertalen op school is niet hoog genoeg. Op de 10 procent echt goede leerlingen na krijgt de rest het niet onder de knie.”

Nu merkt Schneijders dat het tempo omhooggaat en dat hij in een les zo 60 à 80 regels Latijn leest. Bovendien hebben zijn leerlingen er meer lol in. „Onze leerlingen zijn gretig. Ze vinden het leuk om te leren en iets te kunnen zeggen in het Latijn. Vroeger kwamen ze na een eerste les Latijn thuis bij hun moeder of ome Jan. Dan vroeg die: zeg eens wat en moesten ze uitleggen dat Latijn heel anders was. Nu weten ze wat hallo en dag is en kunnen ze tegen hun moeder zeggen dat ze lief en knap is.”

Latijnse toneelstukjes

Een ander voordeel volgens Schneijders is dat zijn allochtone leerlingen geen achterstand hebben doordat de vertaalslag intuïtief gaat en niet via het Nederlands. „De traditionele vertaling van arcessere is ontbieden, een woord dat niet alle leerlingen kennen. Maar wanneer in het verhaal over een zieke jongen de moeder zegt: arcesse medicum, snapt de hele klas meteen dat de dokter gehaald moet worden.”

Ook de cursisten pikken veel intuïtief op. Wanneer Porton hen op het fietspad waarschuwt voor birotae, gaan ze meteen achter elkaar lopen. In de middag is er geen les, maar zijn er andere activiteiten. Bos Boekesteyn lokt. Porton deelt daar de teksten uit van de toneelstukjes. Er wordt met veel enthousiasme in het Latijn geflirt (volgens script), grappen gemaakt, maar ook gejammerd. Want één docent krijgt de rol van luie schooljongen. Wanneer deze Marcus te laat komt en zijn boeken niet bij zich heeft, geeft hij snel zijn broer Lucius de schuld. Die heeft hem niet wakker gemaakt en ook nog zíjn boeken gepakt: „De smoezen die ik als leraar het hele jaar van mijn eigen leerlingen hoor.” Maar de strenge grammaticus is niet onder de indruk. Marcus krijgt er met de stok flink van langs op zijn billen: „Uhuhu”.