Het is grappig als het je zelf niet overkomt

Het is om te lachen en niet om te lachen, al die moodswings sinds ik het manuscript van Wat alleen wij horen heb ingediend, het opstaan met een glimlach breder dan die van een smiley omdat het leven me toelacht, een paar uur later het in duizend stukjes uiteenvallen omdat ik in een doe-het-zelfzaak sta, in een zoveelste pathetische poging te kunnen doorgaan voor een moderne, klussende vrouw, aanneemster van alle werken,

om het nog niet te hebben over de paniekaanvallen omdat de tweede proefdruk nog wemelt van de schrijffouten en ik bedenk dat ik beter het oudste beroep ter wereld, dat van verhalenverteller, kan opgeven want geen hond leest nog boeken en dit alles is een oefening in ijdelheid, nu al zeven boeken lang, en het volgende moment ontmoet ik reikhalzende lezers die me overtuigen van hun ongeduld,

het is grappig als het je zelf niet overkomt, die plotse hyperventilatie waardoor ik in een broodzak moet puffen om terug op adem te komen, bij de gedachte aan welke recensent het aan zichzelf verplicht is het boek de grond in te boren, en de daaruit voortkomende onstuitbare drang om zelf, stante pede, twee recensies te schrijven, eentje die het boek ophemelt om zijn eigentijdse insteek, originele aanpak en het fenomenale taalgebruik, een andere die het boek megalomaan van opzet vindt en lachwekkend in zijn poging om iets van de oh la la Tijdsgeest te vangen,

en hier zit ik dan voor mijn scherm, heen-en-weer geslingerd tussen ja-ze-zullen-het-begrijpen en oh-waar-is-de-spade-zodat-ik-mezelf-kan-begraven, en laten we vooral niet doorbomen over de tragiek van de kramp in mijn kleine teen, opzettende gangreen waaraan ik straks op uiterst pijnlijke wijze zal sterven midden op een kruispunt, nog voor het boek verschijnt, een pijn die mij overmand door emoties doet uitkreten, ‘Ik wil dat hij nu verschijnt!’ terwijl iedereen mij meewarig, als een getuige van Jehovah aankijkt, waardoor ik uitbarst in lachen

tot mij opeens een visioen van de boekvoorstelling te binnen schiet, een triestige bedoening met mezelf als enige publiek en ik weet trouwens ook, zonder zelfs zijn mail te lezen, dat kunstenaar Rinus van de Velde die een wandtekening zal maken in kunststempel Bozar gebaseerd op Wat alleen wij horen, afzegt omdat hij het al vanaf het eerste woord complete bagger vindt, terwijl ik drie seconden later voel dat hij de hele Bozar gaat voltekenen omdat één zaal niet zal volstaan,

het is om te lachen en niet om te lachen, het ene moment wil ik nooit meer schrijven en het andere moment kan ik niet stoppen en bedenk ik dat een column die maar uit één enkele zin bestaat, nog niet mag ophouden.

    • Saskia de Coster