Bastaardkinderen van Tarantino

Zes broers groeiden volstrekt geïsoleerd op in Manhattan, film was hun venster op de wereld.

Foto Magnolia Pictures

Ze worden ‘The Wolfpack’ genoemd. Een roedel van zes broers in de leeftijd van 16 tot 23 jaar die verkleed als de gangsters uit Quentin Tarantino’s Reservoir Dogs door de wereld gaan. Met zonnebrillen, zwarte pakken, stropdassen; alleen hun lange zwarte haren tot op hun billen maakt ze al direct anders. Maar zo stoer zijn ze niet. Eerder doodsbang voor het onbekende.

Ze zijn de hoofdpersonen uit Crystal Moselles documentaire die op het Sundance filmfestival begin dit jaar een hit werd, waarna de broers uitgroeiden tot een fenomeen. Toch is hun verhaal te goed, te weird en te griezelig om helemaal te kloppen.

Tot vijf jaar geleden groeiden Bhagavan, Govinda, Mukunda, Narayana, Jagadisa (Eddie) en Krsna (Glenn) Angelo op achter de gesloten deuren van hun armoedige New Yorkse appartement in de Lower East Side. Hun vader Oscar, een mislukte Peruviaans-Amerikaanse rockster, wilde ze zoveel mogelijk beschermen tegen de perfide buitenwereld. Tot de destijds vijftienjarige Mukunda op een dag besloot om stiekem de deur uit te gaan toen zijn vader boodschappen aan het doen was, waren er jaren voorbij gegaan waarin ze soms maar een paar keer per zomer buiten kwamen. Ze kregen thuis les van hun moeder Susanne, die daarvoor genoeg geld van de Amerikaanse overheid ontving om in het levensonderhoud te voorzien van het hele gezin, dat ook nog uit een jonger zusje met het syndroom van Turner bestaat.

Geschoold door Hollywood

Maar behalve de lessen van hun moeder bestond hun scholing vooral uit de stapels en stapels films die ze op vhs, dvd en de televisie bekeken. Het filmscherm, al zo vaak zo genoemd, was voor hen werkelijk een venster op de wereld. De wereld die hun ouders buiten wilden sluiten, kwam via filmbeelden toch binnen. Ze leefden op een dieet van Quentin Tarantino, Batman en Halloween. Al snel begonnen ze hun favoriete scènes na te spelen en later ook op te nemen, met zelfgemaakte kostuums en rekwisieten. Als er een bewijs is voor de kracht van de verbeelding en de troost van de kunst, dan is het deze film wel.

Maar The Wolfpack is ook een film vol duistere familiegeheimen. Hij wordt vaak vergeleken met Grey Gardens, de klassieke observerende ‘direct cinema’ documentaire van de broers Albert en David Maysles uit 1975 over een nicht van Jacqueline Kennedy die met haar moeder in totale afzondering en toenemende armoede en verloedering in een landhuis in de Hamptons woonde. Al had voormalig reclameregisseur Moselle veel meer middelen tot haar beschikking dan alleen het oog van haar camera.

De film is a-chronologisch gemonteerd uit haar eigen materiaal van en met de jongens, familiefilmpjes en nagespeelde filmscènes die de jongens zelf opnamen. Toch blijven er na een fascinerende trip door het doolhof van hun appartement veel vragen knagen: waarom vond hun vader de buitenwereld te gevaarlijk, maar had hij er geen bezwaar tegen dat zijn kinderen enge horrorfilms keken? En waren er geen buren of familieleden die af en toe een kijkje kwamen nemen? Kortom: hoe konden ze zo lang in dat volstrekte isolement leven, in een volkomen gestript appartement met matrassen op de vloeren?

Weinig journalistiek

Regisseur Moselle vertelt via Skype dat dat alles haar niet eens opviel, de eerste keer dat ze bij de jongens thuiskwam. Zij had ze op een dag op First Avenue in Manhattan zien lopen en ze aangesproken. Ze raakten bevriend via hun gedeelde liefde voor film. En het duurde misschien een jaar voordat ze vragen begon te stellen en het idee opvatte om hen te filmen. Voor een documentarist is ze opmerkelijk weinig journalistiek ingesteld: vragen over de familiesituatie heeft ze eenvoudigweg nooit gesteld, zegt ze. Ze beschrijft de ouders, die in de filmbeelden overkomen als depressief en sociaal fobisch, als lieve mensen. Al was het moeilijk, zo geeft ze toe, om de vader te interviewen, die zijn eigen variant op de hare-krishnafilosofie bedacht, een aversie tegen werk en een drankprobleem heeft. En die soms als een sekteleider overkomt.

Pathologische cinefilie

Al deze dilemma’s maken de film alleen maar intrigerender. Ogenschijnlijk lijken de jongens niet erg onder hun bizarre jeugd te hebben geleden, bij nadere beschouwing blijken ze, nadat zoon Mukunda de macht op de apenrots overnam, allemaal in een of andere vorm van therapie.

De vlucht in de cinefilie krijgt dan iets pathologisch. Dat Mukunda tijdens zijn vlucht naar buiten een zelfgemaakt Michael Myers-masker droeg (de moordenaar uit de Halloween-serie) en dat de broers als tegenwicht tegen het mislukte verlichtingsdenken van hun vader een verknipt ogend Halloween-ritueel ontwikkelden, wordt dan ook een stuk minder romantisch. Als we klaar zijn met aapjes kijken, houdt The Wolfpack, zoals alle goede films, ook een spiegel voor. Die ons bewust maakt van wisselwerking, maar vooral van de verschillen tussen film en realiteit.