Opinie

    • Frits Abrahams

Radiorel

De radiorel rond Jack van Gelder is interessanter dan op het eerste gezicht leek. Het is méér dan een ruzietje tussen journalisten die elkaar in het openbaar de maat nemen. Het gaat vooral over journalistieke mores. Hoe bedrijf je dat vak? Kies je voor entertainment of houd je het bij een zakelijke aanpak?

Daarover zou een interessante discussie tussen Van Gelder en enkele van zijn collega’s mogelijk zijn geweest in de afscheidsuitzending die NPO Radio 1 rond hem maakte. Het kwam er niet van, want Van Gelder liep boos weg toen hij, wachtend op de gang, de kritiek van twee collega’s – Ben de Graaf, oud-sportredacteur van de Volkskrant, en Johan Derksen – moest aanhoren.

Die kritiek was dan ook niet mals. Na enkele euforische fragmenten van de radioverslaggever-in-actie bij Nederlandse voetbalsuccessen zei De Graaf: „Het uitbundige chauvinisme dat eraan ten grondslag ligt, stoort mij het meest. Dat hij zo gek doet, een beetje psychiatrisch, stoort mij niet, ik zet het geluid wel uit (…) Dit is niet een beetje enthousiast, dit is krankzinnig.”

En Derksen: „Ik zou me er dood voor schamen, ik zou het niet kunnen, het is ook hinderlijk als je in de auto zit. (…) Dit geblèr is aan mij niet besteed. Het is een kunstje. Effectbejag. Popiejopiegedoe.”

De Graaf prefereert koele, zakelijke verslaggeving, Derksen denkt dat entertainment en informatievoorziening te combineren zijn. Ik had graag Van Gelder over zijn opvatting gehoord, maar hij had er geen behoefte meer aan. „Het was een ordinaire ruzie geworden”, liet hij later weten. Op De Graaf was hij bozer dan op Derksen: „Dat daar een seniele, oude man zat, die al jaren niet in de sport zit, die echt was ingehuurd om nare dingen te zeggen, dat is gewoon gênant.”

Voor de zekerheid heb ik de uitzending naderhand helemaal beluisterd. Oud is De Graaf wel, maar seniel zeker niet, en hij zei alleen maar de dingen die hij altijd heeft gezegd en geschreven, ook toen hij nog actief journalist was. Ik kan dat weten omdat ik lang geleden een poosje met hem heb samengewerkt op de sportredactie van de Volkskrant.

Kees Jansma, ook te gast in dat radioprogramma, hield De Graaf voor: „Theo Koomen was entertainer, en zeer gewaardeerd, en Jack is in dat genre precies hetzelfde.” Jansma bedoelde het goed, hij wilde het voor Van Gelder opnemen, maar hij bevestigde daarmee juist de stelling van De Graaf dat sportjournalistiek steeds vaker tot entertainment verwordt. De verslaggever bericht dan niet meer over zijn onderwerp, hij valt ermee samen. Wie herinnert zich niet de beelden van een dolgelukkige Van Gelder die na een WK-wedstrijd Wesley Sneijder op schoot nam? Zie het contrast met De Graaf, die ooit door boze spelers van het Nederlands elftal in het zwembad werd gegooid.

Nú zijn journalisten als Van Gelder opeens óók kritisch op ‘Oranje’ , zei De Graaf, maar eerder maakten ze van jongens die een paar keer aardig hadden gespeeld wereldsterren.

Jansma wilde De Graaf duidelijk maken dat de wereld veranderd is: uitbundigheid, show, entertainment hebben het gewonnen van de droge, zakelijke berichtgeving. Dat is waar, zeker op tv, maar is dat pure winst? En ben je meteen een ‘seniele, oude man’ als je daar bezwaar tegen maakt?

De Graaf verdedigde in feite zijn beroepsopvatting. Dat moet kunnen. Alleen was een afscheidsprogramma voor een oud-collega niet de beste plaats.

    • Frits Abrahams